#T - Grootsgedrukt
Enquête: 009-Israël moet een Palestijnse Staat toestaan. Ja Nee

Lessen uit Job

Les 3 - Is zelfrechtvaardiging leven uit genade?

Jobs vraag – waarom hem kwaad (d.i. onheil of het tegenovergestelde van Gods zegen) overkomt zonder te weten waarin hij Gods wil geschonden heeft (Jb 6:24; 10:2) – is een reactie van verwarring. Hij ging er blijkbaar van uit dat de gelovige alleen kwaad overkomt als die tegen God in gaat. Kwaad was voor hem het ‘logische’ gevolg ervan. Maar in zijn situatie was dat niet logisch en hij kan het dus ook niet verklaren. Hij vraagt wat het ‘recht’ van zijn (godsdienstige) rechtvaardigheid (d.i. handelen naar Gods wil) vanuit geloof bij God dan is. Deze rechtvaardigheid wordt in het boek Job vooral beschreven als de Godvrezende intentie en daden van sociale rechtvaardigheid (b.v. 22:7-10; 29:12-17; 31).

Door Marco van Putten

De drie ambtsgenoten die Job bezochten deelden Jobs verwarring niet. Zij stelden dat kwaad alleen komt als straf van God. Dit leidde hen tot het streven van tot zelfrechtvaardiging. Dat betekent dat ze zich erop toelegden om steeds beter de weg van rechtvaardigheid te volgen. Ze dachten zich zo ten dienste te zijn (22:2-3). Ze probeerden rechtvaardigheid naar hen hand te zetten en het voor zichzelf te kunnen regelen; maximalisatie van zegen en vermijden van kwaad. Het gevolg: zelfgenoegzaamheid.

Zelfrechtvaardiging lijkt een goed streven, maar het bleek de reikwijdte van (sociale) rechtvaardigheid steeds smaller te maken. Gelovigen hadden geen oog meer voor het grotere onrecht om hun heen en Gods handelen in de Schepping. Hun ging het erom zelf (sociaal) rechtvaardig te zijn. Job wijst hen op het onrecht in zijn dagen (3:14 (13)-19(18); 21:7-16; 24:1-17), waaraan niets werd gedaan. Stapsgewijs raakte geloven in God op de achtergrond, want afhankelijkheid van God werd niet meer nodig voor het dagelijkse geloofsleven.

In de Bijbel wordt geleerd zelf verantwoordelijk te zijn voor (de groei van) het geloofsleven (Eze 18:20-24; Ef 4:12-13). Job stelt echter dat rechtvaardiging van de gelovige alleen door God bepaald wordt (16:19; 19:25). De gelovige blijft dus altijd afhankelijk van Gods genade. Gezond geloofsleven zou aan God horen te vragen wat er nog aan ontbreekt en God geeft correctie. Job getuigt daarvan (b.v. 9:14-16; 10:2; 23:10-12; 36:22). Vrees voor God (1:1, 9; 23:15; 28:28) is de basis van rechtvaardigheid, die betekenis moet hebben voor de Schepping. Zo wordt de roeping van de gelovige vervuld, want wie alleen voor zichzelf leeft belemmert dat.

De drie ambtsgenoten stelden naar hun inzicht dat het kwaad over Job is gekomen door zijn eigen overtredingen van Gods wil (4:7; 20:29; 22:5). Hij moet dit toegeven, vergeving vragen en zich bekeren en het vervolgens niet meer (zo) doen (5:8). Dan zal het kwaad hem verlaten en God hem weer zegenen (5:18). Jobs bewering, dat hem kwaad was overkomen ondanks zijn rechtvaardigheid, ondermijnt hun woorden. Dan zou kwaad kunnen komen ondanks rechtvaardigheid. Dan zou iemands voorspoed of rampspoed niet meer ‘een weergave’ zijn van hoe het staat met diens geloofsleven. Rechtvaardigheid voorkomt dan het kwaad niet afdoende (9:22). Ze konden deze bewering van Job niet serieus nemen.

In tegenstelling tot zelfrechtvaardiging stelde Job dat elke gelovige overgeleverd is aan Gods genade (9:15). Hij gaf echter het voorbeeld dat ook als kwaad komt, dit dan geen reden is om te zondigen. Hij hield vast aan zijn rechtvaardigheid (1:22; 2:10; 27:6). Genade ontslaat niet van (godsdienstige) verplichting. Ondanks dat hij wist dat geen mens rechtvaardig genoeg is voor God (9:2, 20, 28). Rechtvaardig zijn is ook een genadegave. Net zoals het ‘recht’ hebben bij God. Dit was een belangrijke les. Niet alleen voor Job, maar meer nog voor zijn generatie die naar zelfrechtvaardiging streefde. Het boek gaat dus niet alleen Job aan. Vandaar dat dit boek in de Bijbel is opgenomen.

In enkele verdere studies over het boek Job zullen we Jobs vraag verder uitwerken.


Reageren