#Tb 15 euro gift
Enquête: 099-Is seks voor het huwelijk toegestaan? Ja Nee

Lessen uit Job

Les 4 - Jobs klagen en verdediging leidt tot een conclusie

Job klaagt en maakt veel verwijten. Op de eerste plaats richt hij zich tegen God. Jobs rechtvaardige leven lijkt van geen betekenis (9:2). Job denkt dat God hem zonder enige verklaring tot Zijn vijand heeft gemaakt (13:24; 19:11; 33:10). Het voortdurende kwaad over hem ervaart hij als een vervolging (10:17, 20). Job is erg geëmotioneerd en vermoeid door zijn lijden. Hij stelt zelfs dat God de oorzaak is van het onrecht in de wereld (12:14-25). God zou er plezier in hebben om rechtvaardige gelovigen kwaad te doen (7:17-20) en de boosaardigen (Hebr. resja’iem) begunstigen ten koste van hen (9:24; 10:3).

Door Marco van Putten

In veel vertalingen wordt het woord resja’iem als ‘goddelozen’ vertaald. Maar dat is onjuist, want het Hebreeuwse woord benoemt niet hun ongeloof of dat ze zonder God of afgod zijn. Het gaat er om dat ze ernstig pervers of corrupt zijn in vergelijk met Gods wil. Ze zijn er steeds op gericht of toe gedreven om kwaad te doen. Openlijk of heimelijk. Gelovig of niet.

Hij klaagt er ook over dat Elifaz, Bildad en Zofar, aanvankelijk gekomen om hem te beklagen en te troosten (2:11), hem met hun woorden steeds meer onrecht aandoen (6:14-29; 12:4; 13:4; 16:20; 19:2). Ook door hen voelt hij zich vervolgd (19:22). Elifaz begon voorzichtig met te stellen dat alle mensen zondaren zijn in Gods ogen. Job kon dus erkennen gezondigd te hebben (15:15). Bildad stelt dat Jobs zonen waarschijnlijk tegen God zonden hadden begaan en hij ervoor gestraft wordt (8:4). Maar Zofar veroordeelt Job van een zware misdaad tegen God en noemt hem een vals ambtsgenoot. Een huichelaar (11:11; 20:5). De anderen sluiten zich daar vervolgens bij aan (22:5).

Job bevestigt hun denkpatroon. Hij moet wel een zware misdaad hebben begaan, want het kwaad over hem is te buitenproportioneel om af te doen als afkomstig van slechts een kleine overtreding (6:2-3; 16:7-14). Maar Job blijft volhouden dat hij niets van zo’n misdaad weet. Zelfs de stelling dat elk mens een zondaar is, ingegeven door een demon (4:12-21), bevestigt hij niet. Dan zou Gods ultieme verwachting voor mensen onbereikbaar zijn (Lv 19:2). Hij voert sterke tegenargumenten ter verdediging op:
1. God talmt in de regel met Zijn straffen (21:30; 27:19), maar waarom in Jobs situatie niet?
2. Hoe kan het kwaad als een tuchtiging van God bedoeld zijn, als hem onbekend waarvoor hij door God gestraft wordt (6:24; 7:20; 10:2)? Waarvan moet hij zich dan bekeren (d.i. het kwaad afwenden)?
3. Als Job een boosaardige is, waarom straf God hem dan? Boosaardigen negeren God, omdat het gaat hun goed gaat (12:23). Beter zelfs dan de rechtvaardige gelovige (21:7-15).
4. Waarom richt Job zich nog voortdurend tot God als hij een boosaardige is? Job weet immers dat de boosaardige en de huichelaar niet door God gehoord worden (13:16), maar uiteindelijk door Hem worden weggevaagd (27:13-23). Uitstel van Gods straf is juist ongunstig voor hen. Waarom zou hij dan toch van God heil verwachten (19:25), zich juist van de boosaardigen distantiëren en hen Gods veroordeling aanzeggen (21:16)? Hoopt hij tegen beter weten in?

De conclusie moet zijn dat het kwaad om een andere reden over Job is gekomen dan een misdaad. Zijn relatie met God is niet verstoord. Is dit kwaad dan een eigenschap van de Schepping? Iets dat rechtvaardigen en boosaardigen daarom delen en niet te voorkomen is? In tegenstelling tot boosaardigen zullen rechtvaardigen dit kwaad met hun geloof in verband brengen. Dat bevestigt hun rechtvaardigheid. Maar deze conclusie stelt vragen aan Gods Almachtigheid over en Voorzienigheid in de Schepping.

In enkele verdere studies over het boek Job zullen we Jobs vraag verder uitwerken.


Reageren