#T Uitdaging 14-15 december in bus
Enquête: 006-Ik ben gelukkig! Ja Nee

Lessen uit Job

Les 5 - Kwaad buiten Gods Verbond om

Door Marco van Putten

Job heeft een (her)ontdekking gedaan over zijn vraag, waarom hem kwaad overkomt zonder dat hij dat begrijpt. Kwaad bleek ook een gegeven van de Schepping en dus ook van het leven. Het was niet altijd straf van God. Er zijn dus twee soorten kwaad:

1. Kwaad in verband met het overtreden van Gods Verbond.
Dat is kwaad waarvan Job wijkt (1:1, 8; 2:3; 28:28). God wordt toornig doordat een gelovige Gods Verbond schendt en die ontvangt daarom straf. Dit kwaad wordt bepaald door de relatie van God met de gelovige en is vooral bedoeld om terugkeer tot de naleving van de Verbondsvoorwaarden te bewerken. Jobs generatie bepaalde kwaad alleen zo.

2. Onheil of het ontbreken van Gods zegen.
Dat is kwaad komende van een (geestelijke) macht/kracht (1:11-12; 2:5-6) of van schepselen, zoals mensen (1:15, 17), maar soms doen schepselen het zich ook (on)bewust zelf aan. Dit kwaad staat in verband met de algemene relatie van God met de Schepping; de Scheppingsorde.

Elk kwaad heeft alleen relevantie voor het leven. Voor iets wat levenloos of dood is heeft kwaad geen relevantie. De dood is het ultieme gevolg van elk kwaad. ‘Dood’ betekent feitelijk buiten God zijn of de potentie om van betekenis voor God te zijn (definitief) te hebben verloren. Satan wil dat Job dat nog vóór zijn fysieke dood zal ondergaan (1:11; 2:5). Gelovigen zullen die dood echter niet ondergaan. Zelfs in de fysieke dood blijven ze van betekenis voor God (Joh 8:51; 11:26).

Het leven in de Schepping staat altijd in relatie met de Schepping en is dus relationeel bepaald. Al het geschapene staat levend of levenloos, bewust of onbewust in relatie tot God, de Schepper. Het zich voortdurend tot God richten van Job met zijn vragen, klagen en verwijten maken het woord ‘relatie met God’ het sleutelgegeven in dit boek.
Alleen die relatie met God (d.i. Gods Verbond) is niet de reden van Jobs kwaad, want dat was alleen de 2de soort. Toch zegt Job dat zijn drie ambtsgenoten (en anderen) hem kwaad aandoen van de 1ste soort; sociale onrechtvaardigheid. Zelf zagen ze dat niet, hoewel ze Gods straf daarover zouden moeten vrezen (42:7).

Het is opmerkelijk dat in de gesprekken nergens de mogelijkheid naar voren komt dat satan de bron kan zijn van beide soorten van kwaad. In de Bijbel staat echter dat satan de mens probeert aan te zetten om Gods wil te overtreden (de 1ste soort), maar ook onheil kan geven (de 2de soort) door b.v. krachten van de Schepping (1:19), ziekte (2:7), angstdromen (7:14) en vijandigheid van mensen (1:15, 17). Voor Jobs generatie was kwaad komende van satan, zoals bij Adam en Eva (Gn 3:4-5), blijkbaar geen mogelijkheid (meer).

Gods Verbond voorkomt kwaad van de 2de soort niet, maar alleen God Zelf (1:10). Dat had Job (her)ontdekt. Echter, kan, in tegenstelling tot kwaad van de 1ste soort, de gelovige iets doen tegen de 2de soort? Job vraagt naar een middelaar (Hebr. mochieach) daartoe (9:33). Voor de 1ste soort van kwaad vervulde Job die functie van middelaar (1:5; 42:10) en later werden door God de (Hoge)priesters ingesteld (Ex 28:1). De behoefte voor een middelaar wijst er op dat de gelovige ‘afstand’ ervaart tussen God en mens. Ondanks Gods Verbond. Job begon de beperktheid in te zien van Gods Verbond, zijn rechtvaardigheid en zijn geloof. Job denkt dat de middelaar de afstand tussen God en mens kan overbruggen, zodat omgang met de Ene God wordt hersteld (13:24; vergelijk Gal 3:20; 1 Tim 2:5).

In enkele verdere studies over het boek Job zullen we Jobs vraag verder uitwerken.


Reageren