#T Uitdaging 14-15 december in bus
Enquête: 006-Ik ben gelukkig! Ja Nee

Lessen uit Job

Les 6 - Jobs aanklager

Alle kwaad is volgens Jobs generatie in Gods Hand. Kwaad dat over gelovigen komt zonder dat zij daarvan de oorzaak zijn (d.i. dat buiten Gods Verbondsvoorwaarden om komt) wijst er dan op dat God ook anderszins een aanklacht (Hebr. riev) tegen hun kan hebben (10:2; 13:9; 31:35). Job spreekt herhaaldelijk over zo’n rechtszaak van God tegen hem (13:8; 23:4). Vandaar dat hij vraagt om een middelaar; een advocaat.

Door Marco van Putten

In Jobs beeld van die rechtszaak vallen vreemd genoeg aanklager en rechter samen. Beiden zijn God. Job gaat er van uit dat God alles in de Schepping bepaalt (12:16) – Gods Almacht –, en dat God in Zijn Schepping handelt ten gunste van de rechtvaardige gelovigen (10:12) – Gods Voorzienigheid. Echter, Jobs uitgangspunt dat aanklager en rechter dezelfde zijn is onrechtvaardig. Wie kan tegen de rechter op? Zo zou inderdaad het recht door God gebogen worden, zoals Job beweert. Al ontkennen zijn ambtsgenoten dat (8:3; 34:12). Een rechtvaardige rechter staat ‘neutraal’ tegenover de partijen in een rechtszaak. Job betwijfelt dus Gods rechtvaardigheid.

Maar in dit boek is God geen Aanklager (Hebr. satan). Die satan is onder de ‘zonen Gods’ (Hebr. benej Elohiem) (1:6; 2:1). Hier zijn dit engelen, waartoe satan behoort. Het zijn ‘geesten’ die God horen te dienen.
Satans eerste optreden in de geschiedenis van de mens is het spreken van leugen en bedrog bedoeld om de mens van God te doen afvallen (Gn 3:2, 4). Satan slaagt daarin. Job kende die geschiedenis, maar satans optreden in zijn situatie bespreekt hij nergens.

Veel religies, waaronder christelijke stromingen, stellen dat kwaad bedoeld is om de rechtvaardigheid van gelovigen te toetsen. Satan zou dan de engel Gods zijn met die opdracht; Gods goede engel van het kwaad, de dood en het dodenrijk. Sommigen maken satan tot een metafoor van het vijandige en kwade.

Maar deze definities lossen Jobs probleem niet op, maar bevestigen zijn conclusie over onrecht (d.i. aanklager en rechter zijn hetzelfde). Ook bieden ze geen antwoord voor de merkwaardigheden in het gesprek tussen God en satan in dit boek:
• De verhouding tussen God en satan is ‘gespannen’. Satan toetst niet alleen mensen namens God, maar ook God Zelf (1:11; 2:5; Mt 4:1) en God toetst satan (1:8; 2:3). Zou God Zijn engelen toetsen?
• God vraagt satan waar hij is geweest (1:7). Hij heeft de aarde doortrokken en nagespeurd. Hij heeft als engel dus niet meer de hemel, maar de aarde als verblijfplaats.
• Satans toets van God is niet eenmalig. Satan komt er na zijn eerste ongelijk op terug (2:2)!

Dit past bij de satan die in de Bijbel is beschreven als de van God afgevallen leidende engel die naar ‘de aarde’ (d.i. de fysieke Schepping) is verbannen (Luc 10:18). De ‘overste van de wereld’ (Joh 12:31; 16:11), die oorlog voert tegen God (Opb 12:7), Gods autoriteit toetst (Js 14:12-14; Eze 28:2-19) en waarvan gelovigen om verlossing bidden (Mt 6:13). Satan rebelleert tegen God en perverteert Gods Almacht & Voorzienigheid (Joh 8:44; 1 Joh 2:22). Echter, satan is niet het kwaad zelf, maar hanteert kwaad tegen God en wat van Hem is.
Satan anders voorstellen is Gods werkelijkheid negeren. In Gods rechtszaak is satan Jobs aanklager; het tegenovergestelde van de advocaat waarop Job hoopt (9:33). Hij is de anti-middelaar. God blijkt dan de rechtvaardige Rechter, waarop Job hoopt.

De vraag van dit boek is dan: Zullen Gods kinderen standhouden in de strijd met satan, die hen vervolgt (Opb 12:13)? Een relevante vraag. Niet alleen voor Job, maar voor alle gelovigen.

In enkele verdere studies over het boek Job zullen we Jobs vraag verder uitwerken.


Reageren