#Tb 15 euro gift
Enquête: 099-Is seks voor het huwelijk toegestaan? Ja Nee

Lessen uit Job

Les 7 - De dominantie van boosaardigen

Door Marco van Putten

Jobs werkelijke aanklager was satan (1:9-11; 2:4-5), maar voor Job, uitgaande van Gods Almacht & Voorzienigheid, was dat God (10:2). Door dit te stellen en dat hijzelf rechtvaardig was (d.i. Gods Verbond niet geschonden had) (13:18; 27:6), zei hij impliciet dat God niet volkomen rechtvaardig was. Job leidde ook van het kwaad, dat over hem was gekomen, af dat God een aanklacht tegen hem had buiten Gods Verbond om. Het kwaad dat God ‘gebruikte’ bleek een eigenschap van de Schepping. Job zei niets over het bestaan van satan.

Maar niet alleen Job negeerde satan, wiens ultieme bedrijvigheid op aarde het is Gods kinderen te vervolgen (Opb 12:13), maar ook elders in de Bijbel is satan een bijzaak. Het bestaan van satan en zijn schijnbaar van God onafhankelijke handelen heeft gevolgen voor de Gods Almacht & Voorzienigheid. Satan is in de Bijbel niet alleen geen hoofdonderwerp, maar zijn bestaan wordt ‘verborgen’ gesteld in het feit dat de Schepping disfunctioneert. Zo heeft het kwaad als eigenschap. Dit disfunctioneren, en dus ook kwaad, komen naar voren in alle schepselen, zoals de mens. Dit verklaart het bestaan van de boosaardige mens (d.i. de mens die schijnbaar zijn eigen ik navolgt, maar daardoor inherent niet slechts tegen Gods wil ingaat, deze is zo pervers voor God); de mens die Gods roeping mist.

Volgens Jobs drie ambtsgenoten hadden de boosaardigen echter een verschrikkelijk leven en werden ze voortdurend door God gestraft en in de ban gehouden (15:20-35; 18:5-21; 20:5-29). Natuurlijk was volgens hun stelling dat vooral op Jobs situatie van toepassing. Job had echter juist waargenomen dat het de boosaardigen uitermate goed ging en zij niet alleen de macht in de wereld in handen hadden (21:7), maar ook dat zij dit luidruchtig en trots bevestigden (21:12, 14-15). Ze lieten het daar niet bij, maar vervolgen juist ook de gelovigen (16:11; Ps 2:1-2). Schijnbaar laat God hen en hun gedrag bestaan (22:30). Hij vermoedt zelfs dat God op hen hand is (9:24; 10:3).

Maar Job heeft hij iets waargenomen dat nog veel erger is en waarvan zijn ambtsgenoten hem beschuldigen. Hij heeft mensen gezien die zich als gelovigen voordoen, maar in werkelijkheid een dubbelleven leiden (24:1-20). In het geheim leven ze als boosaardigen. Job benadrukt dat de opzettelijke misdaden en perversiteit van deze huichelaars nog erger is dan de boosaardigen die God niet (willen) kennen en dus (schijnbaar) ‘onbewust’ tegen Zijn wil ingaan. Huichelaars begaan zelfs misdaden aan de boosaardigen (24:6)!

Op het punt van de boosaardigen was Job het met zijn ambtsgenoten eens. Elke boosaardige (d.i. heiden) is zijn vijand (27:7). De Schepping is niet voor hen bedoeld.

Dit boek stelt boosaardigen tegenover rechtvaardigen, maar Job stelt dat de keuze voor rechtvaardigheid, die God de mens in genade geeft, een minderheidskeuze is. Maar Jobs volharding in die minderheidskeuze, vooral onder de druk van kwaad, blijkt sterker dan satan, die de echtheid van die keuze betwist. Deze keuze komt tot uitdrukking door te wijken van kwaad doen tegen God (d.i. door Gods Verbond na te leven (1:22; 2:10)). De strijd van de gelovige met de boosaardige, satans agent, wordt door die volharding overwonnen. Dat is belangrijk, want daarmee wordt de basis – het bestaan van satan – om overtreding van Gods wil te vergoelijken weggenomen. Niemand is te verontschuldigen. Iemands zuivere geweten en de confrontatie met rechtvaardige gelovigen maken boosaardigheid tot eigen keuze om God te verloochenen. Rechtvaardigheid is echter de keuze om zichzelf – de eigen ik – te verloochenen. Zeker als de gelovige lijdt onder kwaad, zoals Job, of welvarend is.

In enkele verdere studies over het boek Job zullen we Jobs vraag verder uitwerken.


Reageren