#Tb 15 euro gift
Enquête: 099-Is seks voor het huwelijk toegestaan? Ja Nee

Lessen uit Job

Les 8 - De opstand tegen Job

Job en zijn drie ambtsgenoten bespreken het bestaan van boosaardigen. Volgens de ambtsgenoten worden zij door God beheerst en hebben geen toekomst. God zal ze uitroeien. Dit bevestigt hun beeld van Gods absolute Almacht & Voorzienigheid. Job echter, stelt dat de meeste mensen boosaardig zijn, hen overheersen en gelovigen vervolgen. God zal ze uiteindelijk uitroeien, maar stelt Zijn gericht over hen uit en houdt ze ondertussen schijnbaar in stand. Job stelt vraagtekens bij Gods Almacht & Voorzienigheid, maar twijfelt vooral aan Gods rechtvaardigheid.

Door Marco van Putten

Job ziet Gods onrecht ook in het feit dat God hem zonder reden zijn vorige positie, als welvarend (29:2-6) en wijs hoofd van zijn gemeenschap, had afgenomen (29:25). Job sprak toen recht en gaf raad in de poort van zijn woonplaats (29:7) en iedereen luisterde naar hem (29:11). Toen het kwaad hem overviel werd hij echter de hoon en spot van zijn gemeenschap. Job begreep dat hij niet meer kon functioneren als gemeenschapshoofd. Zijn ziekte belemmerde hem (30:16-19) en hij was op sterven na dood (30:23). Hij was daarom bezorgd over het nalatenschap (16:21; 17:6, 11).

Te meer, omdat outcasts, die in de wildernis leefden (30:1-8), sinds zijn ‘val’ gebruik hadden gemaakt van de chaos die was ontstaan (30:9). In zijn gemeenschap is daardoor ook een groot verval in wederzijds respect gekomen. Van dit machtsvacuüm wilde die outcasts niet alleen snel gebruik maken om roof te plegen zolang het duurde. Ze wilden ook het gezag van Job en mannen zoals hij – de rechtvaardige gelovigen – in algemeen diskrediet brengen en de macht in de gemeenschap grijpen.

De vierde spreker in dit boek is de aanvoerder van deze outcasts. Hij was onder de toehoorders van de gesprekken tussen Job en zijn drie ambtsgenoten. Hij heet Elihu en neemt ongevraagd het woord. Hij spreekt vanuit zijn woede over het feit dat Job volhardde in zijn rechtvaardigheid. Een woede die satan ook had. En om Jobs ambtsgenoten die ondanks dat ze hem niet konden weerleggen hem toch veroordeelde (32:2-3). Met geveinsd respect voor de sprekers nam hij het woord.

Zijn beschrijving van Gods handelen in de Schepping is dezelfde als die van het heidendom. Hij spreekt over Scheppingsfenomenen, zoals onweer, alsof ze een ‘eigen’ wil hebben, die God moet bedwingen (36:32-33; 37:12-13) en die hij ‘wonderen’ noemt (37:5, 14, 16), die mensen voor God doen vrezen (37:24).
Elihu gaat ook uit van de zelfrechtvaardiging van een gelovige (35:6-7). Zijn boodschap tot Job is dat hij inderdaad niet rechtvaardig was (33:12; 34:7), maar een boosaardige (34:8-12; 36:17) en een huichelaar (35:13). Hij gaat zelfs zo ver door te stellen dat er voor mensen als Job geen middelaar bestaat (32:12), die hem zou verzoenen met en los kan kopen van God om te voorkomen dat hij ten onder gaat aan zijn kwaad (33:24, 28). Hij stelt dat Job liegt met zijn bewering dat hem kwaad is overkomen ondanks zijn rechtvaardigheid (34:17). Job is van God afgevallen, heeft Gods Verbond niet begrepen (34:27, 35) en kent God niet (35:15-16). Job heeft God openlijk bespot en voegt zo een overtreding toe aan zijn zonde (34:37). Daarom mag een man als Job geen leiding hebben (34:17, 30)! De verdrukten (d.i. de outcasts) moeten in zijn plaats de leiding krijgen (36:6), want dat wil God.

Job hoort deze bespottingen van God, zijn vroegere ambt en de rechtvaardigen aan, maar reageert wijselijk niet. Voor hem was dit een dieper kwaad dat hem overkwam en een bevestiging van de dominantie van de boosaardigen. Het lijkt satans laatste poging om Jobs volharding te breken.

In enkele verdere studies over het boek Job zullen we Jobs vraag verder uitwerken.


Reageren