#Tb 15 euro gift
Enquête: 016-Mensen die niet in Jezus geloven gaan naar de hel. Ja Nee

Overdenkingen

Het gat dichten en de polder leegpompen

Over een betreurenswaardig misverstand tussen vrienden

Helemaal gelijk
Rabbijn Lody van de Kamp kon er niet bij zijn die dinsdagavond 4 april jl. in de Goudse St. Jan, maar hij las achteraf de liturgie voor de dienst van gebed en dankzegging voor het leven van de Goudse emeritus-predikant G. Hette Abma, die op 29 maart overleed. Op de website nieuwwij.nl beschrijft hij zijn verbijstering bij het lezen van de tekstkeuze voor deze dienst: 1 Korinthe 16: 22: “Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat die vervloekt zijn. Maranatha!”

Wie van der Kamps reactie op nieuwwij.nl leest (http://www.nieuwwij.nl/opinie/christelijk-anti-judaisme-anno-2017/), kan zich zijn gedachtegang, en vooral zijn gevoelens goed voorstellen. Hij zag zich daar al zitten: “Als gast, als goede vriend van de overleden dominee. Maar ook, voor het oog van al deze kerkgangers, als ‘vervloekt zijnde’. Immers als Jood binnen de traditie van het Jodendom heb ik Jezus Christus niet lief.” Zijn conclusie is heftig: “Met bloed aan de handen moeten deze Christenen zich realiseren dat ik als ‘vervloekte’ hun bemoeienis niet wens. Sterker nog, niet nodig heb. Ik niet. Maar ook de Jood in Israël niet of waar dan ook.
De mooiste daad die zij zich nog kunnen veroorloven tegenover ons vervloekten is ons met rust te laten. Gewoon met rust laten.
Als ‘vervloekte’ pas ik ervoor als leidend voorwerp te fungeren voor deze christenen. Ik hoef hun zogenaamde naastenliefde niet, niet hun christelijke zionisme, niet hun krantjes.
‘Vervloekt’ als ik ben in hun ogen, wil ik met rust gelaten worden. En ik geloof dat veel van mijn geloofsgenoten er zo over denken.”

En toch een misverstand
Hoe begrijpelijk deze reactie van Van de Kamp ook is, zij berust toch op een misverstand. Een misverstand tussen vrienden. Het beste dat gedaan kan worden, is het gat dichten en de ondergelopen polder leegpompen.

Het eerste wat dan wel gezegd moet worden is, dat tijdens deze dienst van gebed en dankzegging in de preek van ds. Piet de Jong heel duidelijk werd dat ds. Abma voor zijn overlijden, bezig zijnde met de voorbereiding voor deze dienst, zo graag nog één keer de boodschap die zijn hart vervulde aan de christelijke gemeente wilde laten horen. Als een soort erfenis die hij naliet. De boodschap van het komende Koninkrijk van God (met daaraan onlosmakelijk verbonden Gods trouw aan Zijn Joodse volk). Die van Godswege ontoelaatbare en schadelijke blinde vlek in de christelijke gemeente kreeg naar zijn besef klaarblijkelijk nergens zo'n krachtige klaroenstoot dan in die ene uitroep: “Maranatha!”, “Heere Jezus, kom!” (zie deze dienst op: https://www.kerkomroep.nl/#/kerken/11245 , onder: dinsdag 4 april).

Was deze uitroep, “Heere Jezus, kom!”, ook nog elders in dit krachtige Aramees in het Tweede (zogenaamde Nieuwe) Testament voorgekomen, dan zou hij ongetwijfeld zijn keuze voor dit ene krachtige woord in die andere context hebben gezocht. Nu ging het erom die context te negeren: het ging hem om alles wat uitgedrukt lag in die ene innige uitroep: “Maranatha!”, “Heere Jezus, kom!” Zo had hij het ook op de rouwbrief laten zetten: “Maranatha! Levend in de verwachting van de komst van Gods Koninkrijk is tot de dag dat de Messias komt opgenomen in heerlijkheid...” Wie ds. Abma over zijn liefde voor Israël en zijn verwachting van het komende Koninkrijk van God nog eens horen wil, kan overigens goed terecht bij een prachtige online-staande lezing van hem over “Voorbereiding op de wederkomst”: https://www.youtube.com/watch?v=78pyx14KuYU .

Dat is het eerste: het ging om dat ene woord: “Maranatha!” De context van dat woord diende klaarblijkelijk en heel duidelijk genegeerd te worden.
Maar er is meer: wie vanwege vele eeuwen van ook kerkelijk antisemitisme het niet voor elkaar krijgt (hoe begrijpelijk) om de context van dat ene woord te negeren, moet weten dat dat “Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat die vervloekt zijn.” niet over het Joodse volk gaat, noch over de niet-gelovigen in de niet-Joodse volken, maar heel specifiek over één of enkele personen in de toenmalige christelijke gemeente van Korinthe, waaraan Paulus deze brief schreef.

In hoofdstuk 12: 3 benoemt hij hen voor het eerst: “Daarom maak ik u bekend dat niemand die door de Geest van God spreekt, zegt: “Jezus is een vervloekte.” Kerkvader Epiphanes noemt een naam: Cerinthus, en verzekert dat de eerste brief aan de Korinthiërs tegen deze persoon was geschreven. En Origenes, in zijn Tegen Celsus, beschrijft de Ophieten, die voor het einde van de eerste eeuw ontstonden, en van degenen die van hun gemeente deel wilden gaan uitmaken, vroegen om Jezus te vervloeken. De gedachte daarbij was dat je onderscheid diende te maken tussen de mens Jezus en de hemelse Messias. De mens Jezus was als een van God gevloekte aan het kruis gestorven – de hemelse Messias had hem daar verlaten. Die hemelse Messias wilden zij wel aanbidden, maar Jezus noemden zij een vervloekte.

Toen Paulus zijn brief aan de gemeente van Korinthe, zoals hij gewoon was, gedicteerd had, en het gedicteerde ten slotte van zijn handtekening en groet wilde voorzien, lukte het hem bij de gedachte aan hen die in de gemeente van hen die van Jezus houden, Hem een vervloekte noemen, niet om zomaar iedereen te zegenen. Heftig komt het er opeens uit: “Als iemand (van jullie, gemeente van Korinthe, ts) de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat DIE (nadruk ts) vervloekt zijn.” Hoe kon hij anders dan dit wezensvreemde element binnen de gemeente van hen die van Jezus houden, op die manier aan de kaak stellen. Misschien dat de schok van deze wedervervloeking – in plaats van Jezus, zij – hen wakker zou maken: de vloek kan altijd worden opgeheven.

Een laatste boodschap voor de christelijke gemeente
Ds. Abma wilde temidden van zijn oude Goudse gemeente, midden in de christelijke gemeente van Nederland, nog eenmaal de boodschap van het komende Koninkrijk van God neerleggen. Meer niet.
Hoezeer hij wist dat God met Zijn Joodse volk een eigen weg gaat, blijkt uit heel zijn leven en werk. Evenals het besef dat pas mét Israël onze toekomstverwachting invulling kan krijgen.

Vrienden proeven elkaars hart. Een vriend weet of de ander hem in zijn waarde laat of niet – ongeacht of je over belangrijke zaken (zoals de identiteit van de Messias) anders denkt of niet. Zo alleen kunnen we er zijn voor elkaar. Pretentieloos, zonder bekeringsdrang. Wij kunnen er ook niets aan doen dat we van het Joodse volk houden: we gaan met een Messias om die van Zijn volk houdt – waar je mee omgaat, word je mee “besmet”. Maar we weten van het Jozef-moment: alle niet-Joden opzouten: Jozef, de Messias ben-Jozef, maakt Zich bekend aan Zijn broers. Daar zijn geen pottenkijkers bij welkom. Daarom hebben wij rust, en ja, laten wij het Joodse volk met rust. Behalve dat we nu eenmaal niet anders kunnen dan er nu eindelijk gewoon voor hen zijn...als zij dat willen. En dat we bidden dat als Spreuken 24: 11 en 12 onverhoopt opnieuw uit de Jodenhaat van de volkerenzee oprijst, dat wij dan de genade ontvangen met onze daden tot de rechtvaardigen uit de volken van déze generatie te mogen behoren.

Hette's palmtak
Hoe verschillend je intussen naar eenzelfde dienst kunt luisteren en ook kijken, wordt wel heel duidelijk uit het gedicht waar de dienst van gebed en dankzegging voor het leven van Hette Abma mij een dag later toe inspireerde. Alleen al wat er was met die kist, die daar steeds voor de kansel stond, waar vanaf zovele jaren 's zondags Hette's stem geklonken had. Als afsluiting daarom hieronder dit gedicht.
“Maranatha!”

De palmtak, op het hout gevleid
bij open Bijbel en jouw beeld,
heeft voor jouw kansel onverheeld
nog eenmaal tot ons hart gepleit.

Psalm honderddertig, vriendenstem,
gemeente tussen Goudse glazen,
niets dat het beeld zó aan kon blazen,
dan wat hier sprak van Hem.

De palmtak, en de mensenrei
die juichend Israëls Koning
inhaalt uit Zijn hemelwoning:
shalom voert heerschappij.

U in ons midden, Die ons leven zijt;
de dood, het kwaad gebroken,
nieuw leven overal ontloken,
de wolf naast 't lam op 't grastapijt.

En grote Koning in Uw stad,
Uw tempel op het tempelplat,
Uw volk, Uw Joodse volk, Uw hart,
vergolden voor hun eeuwen smart,

zij juichen, springen, dansen,
zij stromen uit, stralend als sterren.
Niets kan de zegen nog versperren.
Elk volk krijgt nieuwe kansen.

-0-0-0-

O Goudse pastor, lieve vriend,
die palmtak, die jouw kist zo sierde,
't was of jijzelf door het gordijn heen kierde,
of je ons zo zittend ziend'

de reidans, met die tak geheven,
wou voorgaan met die oude kreet,
hartstochtelijk, om 't wereldleed:
“Maranatha!” “Spoedig”, staat geschreven.

Teus Schep
5 april 2017


Reageren