Steun Uitdaging banner
Enquête: 030-Mag een christen scheiden? Ja Nee
Agenda:   Conferenties & Cursussen ||  Concerten ||  Evenementen ||  Bericht aanbieden

Mijn getuigenis

Zomaar een droom

Dromen zijn bedrog, zeggen sommigen. Maar wat kan de Heere Jezus je soms zomaar opeens een droom geven waarvan je voelt dat Hij er iets mee zegt. Vanmorgen vroeg, toen ik me overgaf aan het restje slaap dat ik voor deze dag nog nodig had, gaf de Heere me de volgende aparte droom.

'k Voer met m'n familie op een bootje - model stoombootje, maar dan gewoon met dieselmotor - over een groot water. Er was niets aan de hand, tot ik met twee anderen van de familie die buiten op het dek stonden, de rug en staartvin van een enorm soort walvis rakelings langs onze boot zag zwemmen. Toen werd het eng, want hij keerde en leek het op ons voorzien te hebben. Iemand vroeg zich af waarom dat toch zou zijn? Had misschien iemand iets lelijks tegen hem gezegd, of iets in het water tegen hem aan gegooid, waardoor hij boos geworden was? Hij was zo groot dat onze boot ongetwijfeld op een gegeven moment het onderspit zou delven - en wij erbij.

M'n jonge nichtje, één van ons drieën op het dek, viel opeens overboord. Vanuit een heel andere richting dan waar de "walvis" zwom, kwam direct een golfvormig, harig en bloeddorstig, slangachtig wezen over het water golvend op haar af “gerend”... m'n nichtje zwom, rees half, steeds verder uit het water - hoe? - en rende zo weer naar onze boot en raakte "veilig" aan boord. Ik keek naar de stuurhut, maar er stond niemand achter het stuur! De stuurhut was leeg! Nu werd het toch wel echt eng. Een eng beest, formaat zeehond, zag, terwijl de boot maar doorvoer, kans op het dek te klimmen en aldoor in onze richting te happen. 'k Schopte een paar keer naar hem - dan trok hij zich even terug, om daarna weer aan te vallen. 'k Besloot hem te negeren. (Het leek wel alsof hij ons probeerde uit te putten, daarom leek negeren de juiste reactie) Op de een of andere manier raakten we opeens toch aan de wal, op vaste grond. We hadden wat water gemaakt, en het grote water lag daar angstwekkend, met in zijn diepten - ik was er van overtuigd - het monster, de monsters, die nog steeds loerend op ons lagen te wachten.

We waren in de buurt van “Groot-Ammers” aan wal geraakt. 'k Besloot een voorschot op te vragen om daarmee over de dijk naar Nieuw-Lekkerland te raken. Met deze boot ging ik onder deze omstandigheden het water niet meer op. 'k Probeerde de anderen ook zover te krijgen, maar zij leken er toch nog wel heil in te zien zometeen weer het ruime sop te kiezen. Ik was er van overtuigd dat dat hun einde zou betekenen. Met de negen gulden voorschot die ik kreeg, ging ik op weg naar “Nieuw-Lekkerland”. Op een gegeven moment hoorde ik dat de rest van de familie gelukkig toch ook aan wal was gebleven, hoewel sommigen het nog steeds niet helemaal uit hun systeem hadden om het op een gegeven moment toch nog weer te gaan proberen. Toen werd ik wakker.

Wanneer je wakker wordt van zo'n droom, en je voelt Gods aandrang hem meteen op te schrijven voor hij vervaagt, dan begint het pas: “Deze droom is klaarblijkelijk van U, Heere. Wat wilt U er door zeggen?” Dit is wat de Heere Jezus me erover duidelijk maakte.

Er komen andere tijden
De familie op deze boot was mijn “kerkfamilie”, Gods gemeente in Nederland. Zij vaart in haar huidige vorm en geestelijke toestand al weer geruime tijd door onze Hollandse wateren, en je zou denken dat dat zo nog wel een tijd door zou kunnen gaan. Dat is echter niet het geval. Er komen andere tijden.

De situatie in de gemeente wordt getekend door het zich benedendeks bevinden en als gevolg daarvan ook de lege stuurhut: onze Grote Roerganger, de Heere Jezus, wordt niet aan het roer gelaten, waardoor Zijn gemeente in ons land stuurloos door de tijd ploegt. O, er wordt genoeg vergaderd en beslist, genoeg gedaan, en met de beste bedoelingen, maar niettemin ploegt het geheel vanuit hemels perspectief met een lege stuurhut door de wateren van ons land.
Hoe komt dat? Wat betekent dat benedendeks verkeren van de gemeente? Het heeft te maken met de wet van het tarwegraan, waarover de Heere Jezus sprak (Johannes 12: 24 en 25). Het tarwegraan kan alleen vrucht dragen wanneer het sterft... en Gods gemeente in ons land heeft zich onvoldoende en onvoldoende volhardend aan dat proces overgegeven, waardoor zij nog grotendeels leeft vanuit de ziel.

De ziel, met haar gedachteleven, gevoelsleven en wilsleven is bedoeld om overgegeven te worden aan de Heere Jezus, zodat Hij onze gedachten, onze gevoelens en onze wil naar de Zijne kan omvormen en ons kan leiden, zodat we een gemeente worden die het Lam volgt, waar Het ook heengaat (Openbaring 14: 4).

Wanneer wij tot geloof komen, komt de Heere Jezus door de Heilige Geest in onze geest wonen. Vandaar wil Hij onze gehele geest, ziel en lichaam naar Hem richten, één maken met Hem, zoals de rank met de Wijnstok. In Zijn gemeente in ons land blijft Hij echter al eeuwenlang vooral “onze lieve Heer op zolder” – Hij leeft door het geloof door Zijn Geest in onze geest, maar onze ziel (met z'n gedachten, gevoelens en wil) geven wij onvoldoende en onvoldoende volhardend aan Hem over. Zo blijft de stuurhut van de gemeente leeg. Het Hoofd van de gemeente heeft Zijn lichaam niet! Het gehoorzaamt niet aan Zijn wil en opdrachten – hoort die niet eens –, maar volgt de eigen (o zo goed bedoelde) inzichten en impulsen.

De vijand
Intussen zwemt de vijand bloeddorstig en alert om het voortploegende bootje. Hoe intens dreigend is de rug en de staart van dat enorme monster zo dicht langs haar heen. Dat ze dat bootje nog niet kapot geslagen heeft, vermorzeld, moet wel Gods bescherming zijn. Maar blijft dat zo? Er komen andere tijden.

Dat jonge meisje wat opeens overboord valt, staat voor de jeugd van de gemeente – zo blootgesteld aan honderd en één verleidingen en verzoekingen. Maar in de nood van het dreigende water, en geconfronteerd met de realiteit en de doodsdreiging van het op hen af rennende demonische, zal het geloof in hen rijzen, en zullen ze oprijzen, al hoger oprijzen uit het water, tot ze in geloof, als Petrus de ogen op de Heere Jezus gevestigd houdend, wandelen op het water, en weer aan boord klimmen om Gods gemeente onnoemelijk te versterken.

Vaste grond
Het moet wel een wonder van God zijn dat dat stuurloze bootje vaste grond vindt. Het loopt aan wal in “Groot-Ammers”. In de enkele dromen die God mij eerder wel eens gegeven heeft, maakte Hij vaker gebruik van elementen uit mijn geboortedorp en geboortestreek. Hier wilde Hij met het gebruik van de namen van drie plaatsen uit mijn geboortestreek duidelijk maken welke weg de gemeente in deze tijd nemen moet, wil zij overleven, ja, meer dan dat, Gods Naam groot maken in ons land!

Groot-Ammers is genoemd naar een klein uitwateringsriviertje, de Ammers, ontstaan in de tijd dat het moeras dat deze streek ooit was, werd ontgonnen. Dit riviertje waterde uit op de grote rivier de Lek. Gods gemeente in ons land – zij zijn van Reformatorische of Evangelische snit – bivakkeert enerzijds vanuit heel verschillende achtergronden en problematiek al geruime tijd aan de oevers van dit kleine riviertje, dat niettemin niet voor niets “Groot” wordt genoemd. Hier is de vaste grond, hier is Jezus, onze Heere, Zijn verzoening en vergeving, Zijn leven. Behalve dat zij hier nu al lang bivakkeert, zal onze trouwe God anderzijds door de nood der tijden ook steeds meerderen, het geheel van de gemeente, steeds steviger deze vaste grond genadig geven.

Maar vanuit “Groot-Ammers” moeten we op weg. Er moet een weg worden afgelegd. We moeten ergens doorheen... door (het volgende dorpje langs de dijk) Streefkerk naar Nieuw-Lekkerland. Volgt u het nog, of wordt het u iets te banaal :-)? Onze God houdt nu eenmaal van beelden.
Wat Streefkerk betreft: niets ten nadele van het mooie dijkdorp Streefkerk, maar in Gods beeldspraak dient Zijn gemeente door de streef-kerk heen, door heel die periode, door heel die werkelijkheid...er door heen, en het achter zich laten. Hij kan niets met Zijn gemeente zolang zij streeft..., zolang zij niet gestorven is aan haar “ik”. Het is niet alleen de zonde die aan Hem gegeven moet worden, maar ook het streven, het zelf, met zijn beste bedoelingen, met zijn eigen gedachten, eigen gevoelens en eigen wil die het in Gods dienst inzet.

Vroeger in de tabernakel en tempel wanneer je als geschenk de Heere koeken kwam aanbieden, mochten er twee dingen niet inzitten: zuurdesem en... honing! (Leviticus 2: 11). Het zuurdesem van de zonde, ja, dat begrijpen we. Met de honing, de heerlijke zoetheid en schoonheid en de beste bedoelingen van ons eigen ik..., daar hebben we meer moeite mee; daar komen we gezamenlijk als Gods gemeente in dit land toch al eeuwen mee aanzetten. Dat moet eraan. Dat moeten we aan Hem geven, zodat Hij het uit ons wegdoet. Al dat streven. Tot we heerlijk in Zijn rust, dood aan ons streven, helemaal door streef-kerk heen, ons alleen nog maar door Hem laten leiden. Hij in de stuurhut van ons leven, van onze kerken en gemeenten. En Hij alleen!

Nieuw-Lekkerland?
Hoe groot de Ammers, de vaste grond, de verzoening door het bloed van de Heere Jezus ook is, zij wil toch voeren naar een nog grotere stroom, een nog grotere Godsstroom der genade. Door het sterven aan de streef-kerk heen en het achterlaten daarvan, wil God ons ontmoeten in Nieuw-Leck-er-land, nieuw land aan de grote rivier de Lek – symbool voor de volheid van Zijn genade die Hij voor ons heeft, en die dit land in potentie op zijn kop kan zetten voor Hem.

Gestorven aan de streef-kerk, en ééngegroeid met onze Ware Wijnstok, de Heere Jezus, wil onze God de poorten van de hemel openen. In éénheid met Hem zal ons gebed en onze aanbidding de deken van het duister over ons land scheuren, en een wonderlijke openheid voor onze God teweeg brengen om ons heen. Wij mogen in eenheid met onze Heere Jezus, wandelend met Hem, stralen van Zijn glorie, en in alles naar Hem verwijzen. We mogen de dingen doen die Hij gedaan heeft, ja, nog veel meer! Zielen worden gered, zieken genezen. De harten gericht op de heiliging van Gods Naam, de komst van Zijn Koninkrijk, en het doen van Zijn wil. Zoals in de hemel...zo wil het toegaan door Zijn genade en door Zijn Geest op deze nieuwe plek aan de volle Godsstroom van Zijn genade, dit Nieuw-Leck-er-land van Gods Geest, overal.

Sommigen, zo zien we in de droom, hebben hoe het “altijd” was zo in hun systeem zitten, dat ze toch nog opnieuw het ruime sop willen kiezen. Maar één ding is duidelijk: kerk-zijn zoals het al veel te lang was, benedendeks (in het ruim van de ziel) met de Grote Roerganger niet in de stuurhut..., dat zal de Koning van de kerk niet eindeloos blijven beschermen. Er komen andere tijden. Wat niet volledig zich aan Hem geeft, wat niet op weg gaat, aan de streef-kerk stervend op weg naar de plaats waar Hij ons ontmoeten wil... het zal toenemend het zware, machtige en misdadige lichaam dat moordlustig naast hun bootje zwemt, dat bootje om en om voelen rollen en delen ervan versplinteren. Er komen andere tijden.

Er is een voorschot voorhanden, zegt de droom. Een voorschot (nog niet de volle tien, maar toch het vele negen) dat helpt de afstand over de dijk naar de plek waar God ons ontmoeten wil goed, veilig en gezegend door te komen. Een voorschot in guldens: het gaat om een nationale opwekking – hoezeer ook God wereldwijd bezig is hetzelfde te bewerken, en hoezeer we straks ook met alle broers en zussen wereldwijd zullen mogen samenwerken en “onze” zegen delen met anderen.

Ons land heeft God nodig. Heel hard nodig. En Hij ziet er gat in. Heeft er een plan voor.
Laten wij dan, zoals het lied zegt, haastig eten, gaandeweg Hem tegemoet!

Teus Schep
17 en 18 juni 2017


Reageren