#T - Grootsgedrukt
Enquête: 018-Mijn kerk of gemeente neemt de zendingsopdracht serieus! Ja Nee
Agenda:   Conferenties & Cursussen ||  Concerten ||  Evenementen ||  Bericht aanbieden

Relatie - thema

Een post traumatisch stress syndroom

Professor Seligman beweert, dat in de onderzoeken niet te vinden is, dat nare gebeurtenissen in de jeugd (trauma's) problemen tijdens de volwassenheid voorspellen. Zo'n opmerking kan iemand op het verkeerde been zetten, want onderzoeken laten wel degelijk de soms desastreuze en ernstige gevolgen van traumatische ervaringen in de jeugd zien, wat niet wil zeggen dat dit voor iedereen gelijk is.

Door drs. Marrie van der Feen

Men noemt de gevolgen van trauma cptss (complexe post traumatische stress stoornis). De “c” is toegevoegd vanwege traumatisering in de vroege jeugd, die over het algemeen ernstiger gevolgen heeft voor het slachtoffer. Kinderen, die in hun jonge jaren erge dingen hebben meegemaakt, dragen daarvan later de littekens of erger: blijvende schade aan hun persoonlijkheid. Voor een therapeut is kennis omtrent de gevolgen van jeugdtrauma's nodig om o.a. echtparen te kunnen begeleiden, die worstelen met problemen in hun huwelijk, die gerelateerd zijn aan vroegkinderlijke traumatisering.

In het hier volgende verhaal geef ik een kijkje in het leven van Jan en Tanja, die in hun huwelijk worstelen met contactgestoord gedrag van Jan, dat in de tweede wereldoorlog is begonnen.    

Jan en Tanja zijn inmiddels ruim 30 jaar getrouwd en hebben vijf kinderen. Tanja klaagt over gebrek aan contact met haar man, over zijn gebrek aan energie, initiatief, eetlust en sociale contacten. Zelfs met zijn eigen kinderen, die het huis uit zijn, neemt hij zelden contact op. Hij maakt zich wel druk om het wereldnieuws, om het gedrag van de Amerikaanse presidenten en vooral om de oorlogsdreigingen. Hij verwacht altijd wel een ramp. Soms zegt Tanja als ze zijn doemdenken zat is: “Ja, er lopen ook nog leeuwen op de weg.”

Tanja heeft in zekere zin de broek aan, omdat ze vindt dat Jan niet goed functioneert in het gezin. Hij is erg vergeetachtig, slordig op zijn eigen kleding en dat van de kinderen. Administratieve zaken is zij gaan regelen, nadat er jarenlang deurwaarders waren verschenen, omdat er weer een rekening niet op tijd was betaald in de tijd, dat Jan de administratie deed. Ze had gezegd: “Geef mij alle bankspullen en papieren, want wat jij in een maand doet, doe ik in een dag.” Het klonk niet aardig, maar Jan vond het allang best om van de papierwinkel verlost te zijn. Hij vond, dat hij al genoeg te doen had met de klusjes in huis, zijn werk, zijn auto's en de fietsen, waar altijd wel iets aan te repareren viel. In ieder geval stond de tuin vol fietsen. Ook dat was een van Tanja's ergernissen. De braamstruik was door een omgevallen bak olie doodgegaan of door de fietsen, die er tegenaan stonden. Ook waren haar rozen verdwenen in de wirwar van spullen, die Jan had verzameld. Ze vond het helemaal niet grappig toen Jan lachend zei: “Ik heb je geen rozentuin beloofd.” Ze grimlachte haar ergernis weg. Hij bedoelde het immers goed, deed op zijn manier zijn best. Vlug vergeten. Opstaan en doorgaan.

Maar nu was de maat vol. Dat kwam door een boek, dat ze gelezen had: “Echo's van trauma.” Daarin herkende ze veel verschijnselen van Jan's gedrag, zoals zijn wegstaren als ze commentaar gaf op iets dat hij niet goed had gedaan of dat hij juist niet had gedaan. Hij sloot zich voor haar af en zweeg. Dan maar niks meer zeggen? Soms deed ze dat, maar dat gaf haar het gevoel helemaal geen contact meer met haar man te hebben. De beloften die hij deed: dat ga ik regelen...... Ze wist van tevoren, dat het niet zou gebeuren. Meer dan dertig jaar trapte ze erin, want “zij gelooft in hem.” Vergeten, vergeten, vergeten. Ze wist allang, dat er iets aan de hand moest zijn met hem en hij had al eens toegezegd zich te laten onderzoeken, maar uiteindelijk had hij dat niet gedaan. Nu las ze dat “vergeetachtigheid” een symptoom van trauma kan zijn.

Jan had over zijn oorlogservaringen verteld. Als kleuter hadden zijn ouders hem in de oorlog naar het platteland laten gaan om aan te sterken bij een boerengezin, waar ze wel aardig waren tot de dag, dat de boer iets met het kind uithaalde. Met zijn grote grove handen rond de beentjes van het jongetje geklemd hield de boer het kind met zijn hoofdje naar beneden boven de waterput en liet hem er zover mogelijk in zakken, tot het hoofdje bijna het water onder in de put raakte. Van pure angst plaste Jantje in zijn broek en toen waren de rapen gaar. “Wat.... zeiken in je broek...!” De boer liet het kind vallen.... naast de put. Het spelletje was voorbij. Het kind verdween in zichzelf, in een ander deel van zijn bewustzijn. Daar was het veilig. Veel veiliger en comfortabeler dan in de onvoorspelbare grote mensenwereld. In zijn binnenwereld had hij immers alles onder controle. De jaren daarna was Jan vooral bezig met het controleren van zijn omgeving. Toen hij een jaar of 10 was moest hij naar de psycholoog vanwege zijn dwanghandelingen en verdwenen de meeste klachten.

Als behandelaar van Tanja en Jan wilde ik Jans hele levensverhaal horen. Voor hemzelf was het belangrijk om de feiten onder ogen te zien, stil te staan bij wat hij zoal dacht en gevoeld had. Hij was enerzijds geneigd te doemdenken, anderzijds had hij een roze bril op. Met hem was niks aan de hand, ook met zijn ouders niet (ook al hadden ze hem emotioneel verwaarloosd). Vliegtuigen die aanvielen? Hij herinnerde zich haarfijn het vliegtuig dat over het dak van de vrachtwagen scheerde, waarin de oorlogskinderen werden vervoerd. Honger? Een beetje. Als kleuter lange tijd van huis weg? Daar weet hij nog weinig van, behalve het incident met de waterput.

De angsten van toen spelen hem echter nu wel parten, overspoelen hem, nu hij voor een onderzoek naar het ziekenhuis moet. Hij is er zo bang voor, dat hij de specialist belt en vraagt of het onderzoek plaats vindt in een buis? Hij wordt gerustgesteld. Als hij hoort dat hij een “roesje” kan krijgen is hij helemaal gerust. Als volwassene kan hij zijn gevoel “hendelen”, maar als 10-jarig kind kon hij dat niet. Waar had hij destijds last van? Zat de kraan wel dicht? Steeds controleren en dicht draaien. Dat soort dingen.

Jan hoorde van zijn therapeute de naam Freud en wilde weten wat deze man over zijn problemen had geschreven. Met een Duits woordenboek naast zich werkte hij zich toen door “Die Traumdeutung” van Freud heen. Later waren het de boeken van de grote filosofen, want Jan wilde weten hoe de wereld in elkaar zit en wat de zin is van het leven. Zijn ouders hadden niet voor goede scholing gezorgd. Hij moest namelijk zo vroeg mogelijk aan het werk om geld te verdienen voor hun grote gezin.

Gehoorzaam meldde hij zich aan bij de vleesfabriek voor een baantje, dat zijn moeder voor hem geregeld had. Maar toen hij het zoveelste stuk vlees uit een grote hete pot viste, vluchtte hij naar huis en zei, dat hij niet meer terugging. Uiteindelijk kon hij een opleiding krijgen bij een groot bedrijf, waar hij het jarenlang volhield, omdat hij er kon sporten. Sporten was zijn uitlaatklep, naast muziek en filosofie. Urenlang kon hij oefenen tot hij nagenoeg perfect kon spelen, alsof hij les van de beste leraren had gehad. Tijdens een optreden in een plaatselijk theater ontmoette hij een vrouw, waar hij verliefd op werd. Zij was echter getrouwd. Het werd een drama, waardoor zijn hart brak en hij opnieuw ernstig ging nadenken over de zin van het bestaan. Door zijn christelijke opvoeding had hij ergens een bijbel liggen, waarin hij begon te lezen. Waarom is hij hier op aarde, wat is de bedoeling? Hij ging bidden tot God om hulp en leiding, want hij geloofde dat de antwoorden op zijn vragen van God moesten komen. Alleen de Almachtige had het totale overzicht. Hij voelde zich als een drenkeling, die gered moest worden. Volgens de bijbel is er inderdaad een Reddingsplan, het Evangelie.

Hij ontdekte dat de grote filosoof Kierkegaard op zoek was geweest naar de waarheid over het leven, een gebroken hart had gehad en tenslotte ook bij het evangelie van Jezus Christus uit was gekomen. Niet lang daarna kwam Jan in een evangelische kerk Tanja tegen op wie hij verliefd werd.  Zij vond hem aanvankelijk maar een vreemde vogel, maar goed gezelschap, omdat hij zeer belezen was en onderhoudend kon vertellen over zaken, waar zij ook in geïnteresseerd was. Maar soms leek het alsof er geen connectie was en vertelde hij van alles, terwijl zij dacht: “Heb je nou helemaal niet door, dat dit mij niks interesseert!” Desondanks trouwden ze na een turbulente verkeringsperiode.

Ze schaamden zich om te vertellen over de vele ruzies, die ze in de loop van de jaren hadden gehad.  Heftige gevoelsexplosies, die meestal in bed werden gesust. Tanja had gedacht aan scheiden, toen ze zag hoe Jan hun oudste zoon afroste, die niet deed wat Jan wilde. Het kind was volgens haar emotioneel geblokkeerd. Bij een andere ruzie vertrok Jan naar hun camper om daar te slapen. Door alle spanning kon Tanja de slaap niet vatten en kon ze alleen maar denken: “Wat ben jij een slechte man.” Bij het bidden kwam de gedachte: “Tanja, hij is een zondig mens, net als jij.”

Ze bedacht, dat ze haar verwachtingen te hoog stelde; haar man moest min of meer volmaakt zijn en mocht haar niet teleurstellen. Rationeel veranderde ze haar verwachtingspatroon, maar of dat emotioneel ook lukte? Ze had tijden, dat ze trots was op hun gezin en zich een gezegende vrouw voelde met hun prachtige kinderen en kleinkinderen. Ook al waren er moeilijke tijden geweest, God had hen er doorheen geholpen en altijd met “de beproeving de uitkomst gegeven.” Eigenlijk vond ze dat ze niets te klagen had. Ze had ruimte om zich te ontplooien en al had ze niet haar gedroomde huwelijk, het leven was op deze wijze toch heel leefbaar.  

Wel maakte ze zich soms zorgen over haar fantasieën, die haar soms parten speelden. Dan dacht ze aan haar vroegere vriend, waar ze dol op was geweest, die liefde kon geven, maar niet voor haar had willen kiezen. In dat gevoel van gemis, de pijn van afwijzing kon ze blijven hangen. Ze wist dat het een symptoom was van affectieve verwaarlozing. Ze wist dat ze verwaarloosd werd door Jan en dat ook zijn kinderen daarvan de dupe waren. De bom barstte toen hun oudste zoon hun auto nodig had en Tanja zonder overleg meteen toezegde, dat hij de auto gebruiken kon. Jan voelde zich gepasseerd, werd agressief en schreeuwde naar haar. Ze vond dat zo belachelijk, dat ze letterlijk de deur achter zich dicht deed. Vanaf toen begon Jans' slapeloosheid en zaten ze middenin een crisis, waardoor ze hulp zochten.  

Jan moest als therapie zijn eigen levensverhaal schrijven met een begin, een midden en een eind. Geconcentreerd moest hij stilstaan bij wat er was gebeurd, bij zijn gevoelens, zijn gedachten en bij wat het hem had gedaan. Daardoor ging hij steeds duidelijker zien hoe afgesloten hij was. In haar kerk had Tanja intussen om gebed gevraagd voor Jan, want ze zag haar man min of meer de dood in glijden, omdat hij nauwelijks at of sliep. Op een zeker moment had hij zelfs geen kracht meer om rechtop te zitten. Soms was ze bang hem dood in bed te zullen aantreffen. Er moest iets gebeuren, hij moest het leven willen grijpen, God vertrouwen, maar ook haar. Op zeker moment zocht hij weer contact met Tanja en vroeg haar met hem te bidden. Toen had ze haar hand op zijn schouder gelegd en vanuit haar hart voor hem gebeden of God hem kracht wilde geven.

De volgende dag riep Jan uit, dat hij genezen was. ”Ik heb weer kracht. Mijn gevoel is terug. Ik vind jou weer leuk. Ik kan eten en hoef 's middags niet meer te slapen.” Er bleek een echte doorbraak te zijn, een katharsis. De weg naar zijn gevoel lag open. Bij Jan was de linker hersenhelft, waar ratio en logica overheersen, veel actiever dan de rechterhelft van zijn hersenen, waar gevoelens domineren. Deels door aanleg, maar vooral ook door de traumatische oorlogservaringen in zijn jeugd had hij moeten overleven door zijn gevoel uit te schakelen en vooral zijn linker hersenhelft te gebruiken als overlevingsmechanisme. Maar daar was hij mee door gegaan. Lezen was zijn attractie en zijn valkuil, een manier om controle te krijgen op het onbekende, om zijn angsten te bestrijden en te beheersen. Tenslotte werd het een deel van zijn persoonlijkheid: “de man die alles weet, alles door heeft, alles wil doorgronden.” Daardoor kwam hij steeds meer in een eigen wereld, los van anderen, los van vrouw en kinderen. Totdat hij vast liep, niet meer verder kon, hulp zocht en vond. Dank aan God. “Zie, Ik heb je in mijn hand gegraveerd.”

===========================================================
Drs. Marrie van der Feen werkt als psycholoog en coach in Middelburg (www.stichtingpetra.nl). De afgelopen vijf jaar ondersteunt ze het opbouwwerk in Rio de Janeiro van stichting Aprisco (www.apriosco.eu). Ze schreef o.a. ‘Het doet pijn van binnen’ Haar levensverhaal is te lezen in ‘Gegijzeld door incest.’


Reageren