#Tb 15 euro gift
Enquête: 003-Ik geloof dat het scheppingsverhaal letterlijk waar is. Ja Nee

Overdenkingen

Waarom genas Jezus mensen met speeksel

Genezing is een hot issue in de kerk. Wim J. Kok en Raymond R. Hausoul schreven recent een bijzonder goed gedocumenteerd handboek over goddelijke genezing in de Bijbel. 'Jezus geneest' is een studieboek dat in de studeerkamer van geen enkele predikant of voorganger zou mogen ontbreken en de moeite waard is voor iedereen die met het onderwerp bezig is. Hieronder een fragment uit het boek, over een vraag die christenen al eeuwen bezig houdt. Waarom genas Jezus eigenlijk mensen met speeksel?

In de dynamische wereld van de oudheid werd er gedacht dat lichamelijke elementen een bepaalde bijzondere kracht bezaten. Bijna overal geloofde men dat speeksel, bloed (vooral menstruatiebloed), urine, uitwerpselen, nagels, haren en dergelijke grote genezende kracht bezaten. Er gold een grote zorgzaamheid in het gebruik van deze krachten.
 
Volgens het bijgeloof van de oudheid was dus ook speeksel bijzonder krachtig en kon dit worden gebruikt zowel om goed als om kwaad te doen. Algemeen dachten de volken rondom Israël dat het speeksel dat de mens verliet, de ziel van de mens in zich droeg. Er was kracht verbonden aan het speeksel. Volgens de historici Tacitus (±56–117) en Suetonius (69–140) werd het speeksel van keizer Vespasianus (69–79) op die manier voor medische doeleinden gebruikt.
 
Dit soort gedachten vinden we niet alleen bij de heidenen. Ook het Jodendom schrijft aan speeksel belangrijke medische functies toe. Oogproblemen zouden bijvoorbeeld te verhelpen zijn door speeksel op het betreffende oog te spugen: ‘Het speeksel van de eerstgeborene van een vader geneest [van oogziekten].’ Ook op andere zieke lichaamsdelen is het, volgens het Jodendom, mogelijk speeksel te spugen zodat er genezing kan optreden. Door de frequente toepassing van speeksel als magisch ritueel bij genezing riepen rabbijnen later dit gebruik van speeksel bij ziekte een halt toe.
 
Jezus en speeksel
In de evangeliën vernemen we dat Jezus drie keer speeksel bij een zieke gebruikt. In de eerste situatie gaat het om een doofstomme die bij Jezus wordt gebracht. Jezus neemt deze persoon terzijde, steekt zijn vingers in de oren van de doofstomme, spuugt vervolgens en raakt dan de tong van de man aan (Mc 7:33).
 
De tweede gebeurtenis waar Jezus speeksel gebruikt, vinden we kort daarna in hetzelfde bijbelboek (8:22-26). Ook deze keer neemt Jezus de persoon terzijde. Dit is vermeldenswaardig, aangezien het terzijde nemen alleen gebeurt bij de eerdergenoemde doofstomme en deze blinde. Als Jezus de man aan de hand heeft genomen en buiten het dorp heeft gebracht, spuugt Hij in de ogen van de blinde. Vervolgens legt Hij hem de handen op en vraagt Hij: ‘Zie je iets?’
 
Ten slotte vernemen we in het evangelie van Johannes dat Jezus voor een derde keer speeksel gebruikt bij een genezing. Het gaat eveneens om een blinde. Jezus ontmoet deze blinde in Jeruzalem (Jh 9:1-7). Bij deze situatie neemt Hij de zieke niet terzijde. Hij spuugt daarentegen op de grond, maakt met het speeksel wat modder en strijkt dit op de ogen van de blinde (vs5). Waarom kiest Jezus ervoor om dit te doen?
 
Vier verklaringen
In het verleden werden verschillende antwoorden op de vraag gegeven waarom Jezus bij drie genezingen speeksel gebruikt. De meest gehoorde antwoorden zijn: (1) het speeksel heeft een medische functie; (2) Jezus volgt het volksgeloof en hoopt er geloof mee op te wekken bij de zieke; (3) Jezus gebruikt het speeksel om het fysieke contact te benadrukken; en (4) het speeksel verwijst symbolisch naar een diepere geestelijke waarheid. We zullen deze antwoorden één voor één bespreken.
 
1. Speeksel als medicijn
Als het speeksel diende als medisch hulpmiddel, zou het bij de doofstomme de mondholte bevochtigen, waardoor deze beter kon slikken, spreken, smaken en ruiken. Ook bevat speeksel histatine (eiwit) dat een antimicrobiële en antischimmel werking heeft en de bacteriële proteasen afremt. Toch blijft het de vraag in hoeverre deze medische aspecten daadwerkelijk van belang zijn in de genezing die Jezus verricht. Van een echte medicinale behandeling lijkt geen sprake te zijn. Jezus raakt met zijn speeksel slechts de tong van de doofstomme aan. Hierbij is te denken aan een kleine hoeveelheid en geen kom vol met speeksel. Bovendien zal het contact met het speeksel veel te kortstondig zijn geweest om een medisch verklaarbaar effect te hebben.
 
2. Speeksel als magische kracht
Een tweede mogelijkheid is dat Jezus het speeksel toepast omdat er in het volksgeloof van zijn tijd magische krachten aan speeksel worden toegeschreven. Jezus gaat dan uiterlijk mee met het bijgeloof van die dagen. Hiermee maakt Jezus de zieke dan attent dat hij gaat genezen. Doordat Jezus speeksel uit zijn eigen mond neemt en dit gebruikt om de tong van de doofstomme of de ogen van de blinden aan te raken, verwacht de zieke genezing door Jezus’ kracht. Door het gebruik van het speeksel wil Jezus de aandacht van de zieke op Hem richten, wat is te vergelijken met de aanraking van een zieke door Jezus’ hand.
 
Een duidelijk voorbeeld hiervan zien onderzoekers in de genezing van de blindgeborene. Johannes merkt in zijn evangelie op: ‘Na deze woorden spuwde Jezus op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde’ (Jh 9:6). Dit gebeuren roept associaties op met de Griekse god van de genezing: Asclepios. In een inscriptie vernemen we hoe Asclepios een blinde met één oog geneest. Hij vormt hiervoor uit klei een ‘oogbal’ en plaatst die in de lege oogholte, waarna de blinde weer kan zien.
 
Toch roept deze verklaring vragen op als we beseffen dat de vroege christenen zich negatief uitlieten over de magie in hun tijd. In hoeverre is het trouwens mogelijk om bij deze uitleg het geloof van de zieke volledig op God gericht te laten zijn? Wie in de voetsporen van het volksgeloof treedt, richt de aandacht veeleer op de afgoden en het geloof in natuurkrachten dan op de ware God van Israël. Zowel het Nieuwe als het Oude Testament wijst dit soort syncretisme af.
 
3. Speeksel als liefdevol fysiek contact
Als derde mogelijkheid benadrukken uitleggers dat het speeksel een fysiek contact creëert tussen Jezus en de zieke. Door dit contact toont Jezus zijn barmhartigheid aan de zieke. Bij de doofstomme kan dit van belang zijn, aangezien hij niet kan horen wat Jezus zegt.
 
Toch komt deze vorm van fysiek contact zoeken vreemd over. Het aanraken van een ander met je eigen speeksel kent in het algemeen niet de betekenis van een liefdevolle genegenheid. Zo ziet de Bijbel het spugen van een mens telkens als negatief, onrein, vernederend en oneervol: ‘Als zo’n man iemand die rein is bespuwt, moet deze zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft hij tot de avond onrein’ (Lv 15:8; vgl. Nm 12:14), ‘Van afschuw deinzen ze terug voor mij en niets weerhoudt hen mij in het gezicht te spuwen’ (Jb 30:10), ‘Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars, wie Mij de baard uittrokken, bood Ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze Mij beschimpten en bespuwden’ (Js 50:6).
Er is geen enkel voorbeeld uit het Oude Testament te noemen waar het spugen positief wordt geduid. Dit negatieve element komt ook naar voren in de bespuging die Jezus in zijn lijdensweek moet doorstaan
 
Er is geen enkel voorbeeld uit het Oude Testament te noemen waar het spugen positief wordt geduid. Dit negatieve element komt ook naar voren in de bespuging die Jezus in zijn lijdensweek moet doorstaan (Mt 26:67; 27:30) en bij de Galaten die Paulus juist niet hadden veracht of bespuugd (G l4:14̄).
 
4. Speeksel als symbolische daad
Een vierde mogelijkheid is om in het speeksel een diepere symbolische betekenis te zien. De kerkvader Ambrosius van Milaan (339–397) ziet het speeksel bij de blinde in Marcus 8:22 zo als een prototype van de waterdoop. Verder zijn er meerdere kerkvaders die in Jezus’ keuze om bij de blindgeborene speeksel en klei te vermengen, een symbolische verwijzing zien naar de schepping van Adam.
 
Volgens de Septuaginta en de Dode Zeerollen formeerde Jahweh Adam in Genesis 2:7 namelijk niet uit ‘stof’ (Hebr.‘āfār / Gr. chous), maar uit ‘klei’ (Hebr. chōmer / Gr. pēlos). Die gedachte sluit verder aan bij de illustratie van de profeet Jeremia, dat Jahweh de Pottenbakker is die de mens als klei formeert (Jr 18:6; vgl. Js 29:16; 45:9; Jb 10:9; 33:6; Rm 9:21). Zoals God de mens in het verleden formeerde, formeert Jezus nu nieuwe ogen voor de blindgeborene.
 
Deze relatie tussen de genezing van de blindgeborene en het scheppingsverhaal in het Oude Testament is nog te onderbouwen door de verwijzingen naar de dag, de nacht en het licht, die in beide teksten voorkomen (Jh 9:4-5; Gn 1:1-3).
 
Spreken van God
Een andere mogelijkheid is om in het speeksel een verwijzing te zien naar het spreken van God. John Bligh kiest voor deze interpretatie en verwijst naar Deuteronomium 8:3b:‘Zo maakte Hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van Jahweh voortbrengt.’ Het nadeel bij deze gedachte is dat speeksel nergens in relatie wordt gebracht met het spreken van God.
 
Bij de bovengenoemde symbolische verklaringen komen dezelfde moeilijkheden naar boven als bij de eerdere verklaringen: speeksel kent doorgaans in de Bijbel een negatieve betekenis. Het ligt daarmee niet voor de hand om in het speeksel een verwijzing te zien naar positieve zegeningen, zoals bijvoorbeeld de water- doop of het scheppen van iets nieuws.
 
Conclusie
Concluderend stellen we vast dat de bovenstaande verklaringen een onvoldoende bevredigend antwoord geven op de vraag naar het gebruik van speeksel door Jezus. Daarbij beseffen wij dat het voor ons een raadsel blijft waarom Jezus het speeksel gebruikt bij bepaalde gebeurtenissen. Een verklaring voor het gebruik van speeksel blijft daarmee een uitdaging.

Reageren


Marc Pieren

09-09-2019 02:03
De belangrijkste reden is jullie blijkbaar ontgaan. Jezus hoefde helemaal geen speeksel te gebruiken om iemand te genezen, enkel één woord was genoeg, en wellicht was zelfs dit niet nodig.

De echte reden waarom Jezus dit deed was om de valse wetjes van de religieuze leiders aan de kaak te stellen. Het werd in het artikel al aangehaald dat de frequente toepassing van speeksel als magisch ritueel bij genezing door de rabbijnen een halt werd toe geroepen.

Zo was er ook een rabbijnse wet die verbood om op de Sabbat "geneesmiddelen" te gebruiken. Eigenlijk bestonden er tal van wetjes die de rabbijnen bedachten, en deze wetjes golden als de mondelinge of "orale thora", een uitbreiding op de Thora van God welke door God via Mozes werd gegeven aan de berg Sinaï, en we ook wel de Mozaïsche wet noemen.

Eigenlijk beweerden de religieuze leiders dat hun orale thora een tweede schutting vormde rond Gods Thora, en dat indien men de wetten van de orale thora hield, men nog niet in de buurt kwam van het breken van Gods Thora. Hoewel dit heel oprecht klinkt, zijn oprechtheid en waarheid zelden bedgenoten in de religieuze wereld. De Thora is inderdaad geschreven als een beschermende schutting, maar dan wel een schutting rond het volk. Iedereen wordt geacht om zich gehoorzaam binnen de schutting te bevinden in het gezelschap van de Almachtige. Echter, deze schutting zegt zelf dat het niemand de autoriteit geeft om toe te voegen of af te doen van de geboden, want de fundamentele instructie van de Thora, die we hebben gekregen bij de berg Sinaï, is een strenge waarschuwing van de Almachtige tegen het toevoegen van eigen regels, ontkennende de geboden die ons gegeven waren via Mozes:

Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden van YHVH, uw God, onderhoudt, die ik u opleg. (Deut. 4:2)

Zo belangrijk is deze richtlijn, dat de Almachtige zichzelf herhaalt in Deuteronomium 12:32. Zodra iemand iets toevoegt aan, of wegneemt van de geboden of openbaringen van de Almachtige, dan heeft men niet langer de geboden van onze Schepper, maar eerder een door mensen gemaakt religieus systeem welke belooft wat het niet kan geven.

De Farizeeërs hadden meer dan 500 wetten uitgevaardigd die het houden van de Sabbat regelden, inclusief welk soort werk er verboden was, hoever iemand mag wandelen op de Sabbat, en wat men moest doen vóór de Sabbat om iets te mogen dragen op de Sabbat.

Jezus brak niet alleen opzettelijk vele van deze regels, zoals het schenden van het verbod om op een Sabbat speeksel te smeren op iemands ogen (Talmoed, Sabbat 108b:19-25), maar hij beval ook de personen die hij op de Sabbat genas om Farizese wetten te breken. Zo gaf hij het bevel aan een lamme man die hij op de Sabbat had genezen, om de wet over de eroew te breken, door deze zijn mat te laten dragen, een handeling die elke aandachtige Farizeeër op die dag kon uitvoeren, in volledige immuniteit, omdat men de dag voordien de nodige benodigde stappen had kunnen nemen om deze handeling op de Sabbat uit te voeren (Talmoed Mas. Sabbat 6a).

Tegen de eerste eeuw was het religieuze systeem van de Farizeeërs al 300 jaar bezig met groeien en werd al snel de grootste religieuze sekte in het land Israël. In de dagen van Yeshua werd het Sanhedrin beheerst
door de Farizeeën, maar de Sadduceeën leidden nog steeds de Tempeldienst met wat overschoot van het tanende Levitische priesterschap.

De Farizeeën beweerden dat zij in de “Stoel van Mozes” zaten en dat elk nieuw gebod dat ze inzegenden de zelfde autoriteit had als de geboden die Mozes had ontvangen uit de hand van de Almachtige. Elke synagoge had zo een “Stoel van Mozes” waarop de oudsten zaten om nieuwe wetten die ze naar eigen inzicht hadden bedacht uit te vaardigden. Hun ingezegende geboden waren, in hun taalgebruik, "takanot", welke wettelijk gedefinieerd waren als “door de rabbijnen uitgevaardigde wetten die de wetten van de Thora wijzigen of teniet doen” (Encyclopedia Judaica - takanot). In feite, beweerden de Farizeeën dat als ze takanot maakten, zelfs de Almachtige hun uitspraken moest gehoorzamen. Ze beweerden dat Mozes hen een orale thora had gegeven, welke hen superioriteit gaf over de geschreven Thora, en dat zonder de esoterische onthulling overgedragen door de orale thora, niemand in staat was om de geschreven Thora, gegeven aan de berg Sinaï, te begrijpen.

Het ligt dan ook voor de hand dat Jezus opzettelijk en heel uitdrukkelijk de door mensen gemaakte religieuze regeltjes schendt, waarbij hij tegelijk de onvergankelijke instructies van de Thora verduidelijkt en bekrachtigt.