#Tb 15 euro gift
Enquête: 101-Het is OK voor een christen om te roken! Ja Nee

Romeinenbrief

Romeinen 11-23-26a

We naderen de climax van het leerstellig onderwijs van de apostel Paulus in de Romeinenbrief.
Hij is begonnen in Rm. 1,18 en eindigt in Rm. 11, 32. Hij sluit het geheel af met een geweldige lofprijzing. In deze gedeelten heeft Paulus behandeld datgene dat hij heeft samengevat in Rm. 1, 16.17.
“Wat ik schaam mij niet voor het evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot behoud. Eerst voor de Jood en ook voor de Griek. De gerechtigheid wordt geopenbaard van geloof tot geloof; De rechtvaardige zal leven uit geloof.


Rm. 11, 23-24.

Wanneer, bij olijfbomen een wilde olijf geënt wordt op een tamme olijfstam mislukt doorgaans dit proces; de boom draagt weinig vruchten, wat bessen en daar blijft het bij. Andersom werkt het wel.
Toch beschrijft Paulus het enten van wilde takken op een tamme stam en er komen hoe tegennatuurlijk dit ook is, wel vruchten. Dit is de achtergrond van de vraag in vers 23; een van nature tamme olijftak, levert over het algemeen geen problemen als de stam olijf ook tam is.
Heidenen ( wilde takken) geënt een tamme olijfboom, heeft hoewel, dit tegen de natuur van de boom in is, de boom niet wild  gemaakt in tegendeel de takken (de gelovigen uit de heidenen) zijn tam geworden. De tekst stelt afgezet tegen deze achtergrond de vraag: “Kan God Israël herstellen?”
De apostel noemt de naam van Israël nog niet maar laat weten: als zij niet bij hun ongeloof blijven dan behoort opnieuw enten tot de mogelijkheden. God is machtig hen opnieuw te enten.

Een stukje toepassing: een geweldige mogelijkheid beste vrienden, maar het draait om geloof. Het draait om het afkeren van een houding van ongeloof en dus een houding van geloof als keuze te laten zien.

Welnu zegt de apostel als conclusie: Heidenen zijn geënt, tegennatuurlijk en daarom is een natuurlijke enting van tamme olijf op een een tamme stam voor God een peulenschil. Israël  zal zeker op zijn eigen stam worden terug gezet. Om nog even bij het beeld van de olijfboom te blijven, er liggen bij wijze van spreken tamme takken op de grond om de boom heen en wilde takken zijn geënt op de plaatsen waren de tamme takken eerst hun plek hadden! Wanneer het proces wordt omgedraaid lijkt het de zaak dat er dus weer ruimte moet worden gemaakt.

Rm. 11,25-26.

Een “musterion” een geheimenis, maar welke inhoud heeft dit geheimenis.
Het behoeft niet te gaan over de verharding van Israël, deze is vanuit het Oude en Nieuwe Testament voldoende getekend. Bij elke generatie Israëlieten zijn velen  steeds opstandig t.o.v. God; zie bijv. het boek Richteren, 1 Kon. 19,18; Jes. 1 en het boek Handelingen enz. In Het Oude Testament gaan zowel het rijk van de 10 stammen en dat van de 2 stammen tenslotte in Ballingschap; verdreven uit het land van de belofte zoals Mozes in Deuteronomium al heeft laten weten.
De verblinding van Israël is een bekend gegeven, het geheimenis laat weten dat er aan deze verblinding een einde komt.
2

Dan nu de inhoud van het geheimenis: Allereerst maar de opmerking over Rm. 11, 25 is veel geschreven. De apostel zegt: “Want ik wil niet broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs ben bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan; en zo zal heel Israël behouden worden.”
Paulus maakt de gemeente in Rome een geheimenis bekend en hij doet dit om hen te behoeden voor een eigenwijze hoogmoedige houding t.o.v. het (nog ) ongelovige Joodse volk.
Dit is nodig want de gemeente in Rome bestaat voor een (klein) deel uit Joden die de Messias hebben aangenomen; zij worden door de Joodse gemeenschap met argwaan bekeken.
Heidenen lopen het gevaar zich te verheffen en Israël te verachten, terwijl hun taak is hen jaloers te maken op hun geloof in de Joodse Messias.

Er is over deze tekst veel geschreven en ik wil twee schrijvers aan het woord laten. Een goed zicht op deze verzen heel belangrijk. Er is een uitleg  (zie Krelof Steven A. Gods plan met Israël, een studie over Romeinen 9-11 Zoeklicht Doorn 2001 p.127) welke toegeeft dat er in de tijd van Paulus Joden tot geloof komen maar dat Israëls verharding na de opname van de gemeente wordt opgeheven. Ik laat dit voor wat het is, vanuit de profetieën in Ezechiël 37 kan hoe dan ook worden gesteld dat Gods volk tot geloof komt, voordat Jezus komt.
Nu de tekst en er worden twee interpretaties langs gelopen; deze zijn tegengesteld.

Eerst ds. Tj Boersma (De Bijbel is geen Puzzelboek J.Boersma Enschede 1977. p. 57-60).
Het gaat om de korte uitdrukking “ totdat de volheid der volken is ingegaan”en “...en zo zal geheel Israël worden behouden.”  
Boersma vindt geen enkele grond in de tekst om toekomstig behoud voor het volk Israël te zien.
Hij vertaalt: “....totdat de volheid der heidenen is binnengegaan en aldus zal gans Israël behouden worden.” Hij wil niets weten van een verschuiving van het behoud van Israël naar de toekomst; Paulus is in Romeinen 11 bezig met datgene dat er gebeurt met Israël in zijn eigen tijd.
God heeft zijn volk volstrekt niet verstoten, Paulus zelf is het voorbeeld van het tegendeel en de apostel stelt zijn eigen bediening tot leidraad van de verdere uitleg. Paulus ziet door zijn arbeid veel heidenen tot geloof komen en op dezelfde wijze klopt God door zijn genade ook weer aan bij Zijn oude bondsvolk.
Ook Joden komen in de dagen van Paulus tot geloof, in de weg van de genade, als reactie op de bekering van de heidenen zal “gans Israël” behouden kunnen worden.
Gans Israël is niet meer dan een gelovige rest; de genade staat ook voor Israël nog steeds open.
Israël is in deze opvatting deel van de volheid van de volken en een aparte toekomst is er verder niet weg gelegd. Hij stelt: “Israël is in God heilsplan geen apart volk meer, het heeft geen speciale voorrechten meer. De rol van Israël is uitgespeeld.”

Nu de mening is duidelijk het gaat dus om de uitdrukking totdat de volheid der heiden/volken is binnen gegaan en aldus (gelijktijdig in als de tijd van genade nog daar is) hebben Israëlieten de kans Jezus te vinden.

Nu staat er dit? Holwerda ( De Schrift Opent een Vergezicht Voorhoeve Kampen 1998 p.p. 160f.f.f.) gaat een andere weg.
 Holwerda geeft een zeer volledige behandeling van de exegese waarin het voor mij onmogelijk is, deze in dit korte bestek recht te doen.
Hij merkt op dat de NBG vertaling de verzen 25b niet helemaal goed weergeeft. Deze vertaalt: “Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnen gaat.”
De zinsconstructie in gebruikt in Romeinen 11, 25.26 geeft eerder een volgorde aan dan een gelijktijdige handeling. Ik zou op twee verzen uit het NT willen wijzen waar dezelfde constructie wordt gebruikt. Sla maar eens op Hd. 20, 11. In dit vers wordt dezelfde uitdrukking gebruikt welke
3
Rm. 11, 26 wordt gebruikt (“kai houtos”/ “houtos”) Het lijkt priegelwerk maar nu moet dit even,  
want de betekenis van dit ene woordje geeft namelijk geen gelijktijdige handeling aan maar een volgorde van twee handelingen en/ of gebeurtenissen. Paulus is in Handelingen 20 niet broodetende naar boven gegaan, nadat hij de jongeling had opgewekt. Integendeel men heeft eerst samen de maaltijd gebruikt en is daarna (houtos) zo vertrok hij!  Wil nu opslaan 2 Thes. 4, 16.17?  Het gaat in deze verzen eveneens om een volgorde “... en zo alzo zullen wij altijd met de Here zijn.”
In deze verzen legt Paulus uit: Er klinkt een bevel van een aartsengel, hij roept de doden uit de graven, want  degene die in Christus zijn gestorven het eerst zullen opstaan. Daarna degene welke opdat tijdstip nog leven worden in een onderdeel van een seconde veranderd en alzo, zo, op die manier (houtos) zullen wij samen met de Here zijn. Duidelijk is ook hier dat er na elkaar drie handelingen plaats vinden voordat dit de zaak is.

Ik hoop dat duidelijk is geworden dat het woord “houtos” of “kai houtos”en al zo enz. in Rm. 11, 26 een volgorde van handelen aangeeft.
Het gaat in Rm. 11, 25.26 om de volgorde dat de gedeeltelijk verharding van Israël wordt opgeheven en dat dit gebeurd als het getal van de heidenen die het koninkrijk binnengaan vol is. Daarna zal gans Israël (wellicht ook een volheid) behouden worden.

Ik geloof dat voordat Jezus terug komt God zich gaat richten op het behoud van Zijn oude bondsvolk. Israël als volk zal de Messias ontmoeten; dit betekent trouwens niet dat elke Israëliet zalig wordt. Israël is op deze wijze een eindtijd teken en wijst nu al op de spoedige komst van Jezus. Volgende keer de rest van Romeinen 11.

Zegen en groet drs. Age ten Napel

Reageren


drs. A Napel

21-03-2019 08:07
Dag Anne Ik heb je uitgebreide relaas gelezen en je bent goed onderlegd. Ik ga ondanks je uitgebreide studie gewoon uit dat Joden geen heidenen zijn en heidenen geen Joden. Paulus begint bij de Joden en stapt na afwijzing over naar de heidenen (Hd. 13, 47-52; Hd. 28,23-31. Deze vooronderstelling beheerst mijn uitleg van Romeinen 9-11. Ik geloof dat ik deze moeilijke gedeelten goed heb uitgelegd, ik respecteer je mening en wil het hier bij laten

Anne

15-03-2019 11:16
Hallo drs ten Napel, zoals beloofd kom ik nog even terug op de uitdrukking “tot het einde der aarde”.
De uitdrukking “tot het einde der aarde” in Jesaja 49:6 geeft ook meer licht op wie de heidenen zijn, “Ik stel u tot een licht der heidenen, opdat mijn heil reike tot het ‘einde der aarde’.”
Jesaja spreekt daar ook over in Jesaja 41:8-9, “Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij, die Ik gegrepen heb van de ‘einden der aarde’ en geroepen uit haar uithoeken”, en dat is dus Israël.
En verder in Jesaja 43:3-6, “Want Ik, de Here, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser; Ik geef Egypte, Ethiopië en Seba als losgeld in uw plaats. Omdat gij kostbaar zijt in mijn ogen en hooggeschat en Ik u liefheb, geef Ik mensen voor u in de plaats en natiën in ruil voor uw leven. Vrees niet, want Ik ben met u; Ik doe uw nakroost van het oosten komen en vergader u van het westen. Ik zeg tot het noorden: Geef, en tot het zuiden: Houd niet terug, breng mijn zonen van verre en mijn dochters van het ‘einde der aarde’”. Het mag duidelijk zijn, het ‘einde der aarde’ is een referentie voor de verstrooiing van de Israëlieten.
En dan in Jesaja 45:19-21, “Ik heb niet in het verborgene gesproken noch ergens in het land der duisternis; Ik heb tot het nakroost van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs. Ik, de Here, spreek wat recht is, verkondig wat rechtmatig is. Vergadert u en komt, nadert tezamen, gij die uit de volken ontkomen zijt. Zij hebben geen begrip, die hun houten beeld dragen en bidden tot een god die niet verlossen kan. Verkondigt en voert gronden aan. Ja, laten zij tezamen beraadslagen. Wie heeft dit vanouds doen horen, het van overlang verkondigd? Ben Ik het niet, de Here? En er is geen God behalve Ik, een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet.” Het gedeelte “Gij die uit de volken ontkomen zijn”, betekent hier de Israëlieten die die onder de volken wonen en de gewoontes van die volken ontvlucht.
Het bewijs hiervoor zien we in vers 22, “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle ‘einden der aarde’, want Ik ben God en niemand meer.” Dat betekent dat waar je ook bent aan het ‘einde der aarde’, kijk naar God voor je redding.
En dan vers 25, “in de Here wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen.” Dus wanneer de bijbel praat over de “einden der aarde”, praat het over Israël. En als we dan in Jesaja 49:6 lezen “opdat mijn heil reike tot het einde der aarde”, dan weten we dat het gaat over de verloren 10 stammen van het huis van Israël. Maar waar is dan de ‘einden der aarde’, is dat het einde van de planeet aarde?
Jesaja 11:10 zegt, “En het zal te dien dage geschieden, dat de ‘heidenen’ de wortel van Isaï (Christus) zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.” In vers 11 zien we wie de heidenen zijn, “En het zal op die dag gebeuren dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven, dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte, in Pathros, Cusj, Elam, en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.” Het overblijfsel zou dus worden losgekocht van Zijn volk. We zien dus dat de heidenen die Christus zullen zien, het overblijfsel van Zijn volk zou zijn; en in Exodus 3:10 staat wie Zijn volk is, “Mijn volk zijn de Israëlieten.” Dus God koopt het overblijfsel van de Israëlieten die verstrooid zijn onder de volken genoemd in vers 11. Het overblijfsel van de Israëlieten die gescheiden waren van God, waren los van de wetten en de regels, en daarom werden ze (onbesneden) heidenen genoemd. Het bewijs vinden we in ver 12, “Hij zal een banier (Christus) omhoogheffen onder de heidenvolken en Hij (Christus) zal de verdrevenen van Israël verzamelen en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen van de vier hoeken van de aarde.” Het huis van Juda en het huis van Israël zullen van de einden der aarde verzameld worden – dus met Christus begon het proces om de beide huizen die verstrooid waren weer bij elkaar te brengen. En vervolgens in vers 13 staat dan, “Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen, en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden. Efraïm zal niet langer jaloers zijn op Juda, en Juda zal Efraïm niet meer in het nauw drijven.” De beide huizen van Israël zullen onder Christus weer bij elkaar komen en zullen nooit meer gaan scheiden.
Nog één keer terug naar Jesaja 49:6, “Ik stel U tot een licht der volken, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde” staat er. Dit is dezelfde tekst die we tegenkomen in Hand 13:47. We hebben bewezen dat dit gaat over de verloren 10 stammen van het huis van Israël en Paulus ging naar deze volken toe. Hij begreep dat dit de Israëlieten waren die in de duisternis leefden. Paulus onderwees hun over Christus, dat Hij zou hun trekken uit de macht van de duisternis naar het wonderbare licht.
Nogmaals de bevestiging dat de heidenen in zowel Hand 13:47 en 22:21 de 10 stammen van het huis van Israël vertegenwoordigen, met het uiteindelijke doel om de beide huizen weer bij elkaar te brengen.
De doelgroep van zowel Jezus’ bediening als die van de Apostelen waren de heidenen; de verloren schapen van het huis van Israël, die waren verstrooid onder de volken. Zij waren onbesneden heidenen geworden, ‘niet-mijn-volk’ (Hosea 1:9). Ofschoon ze heidenen waren geworden, toch zou de diaspora opnieuw ‘mijn volk’ worden (Hosea 1:10) en na herstel samen met het overblijfsel van Juda de bruid vormen.
Het was de eerste gemeente (het Israël Gods) die klaar gemaakt was om de bruid van Christus te worden. Johannes zag in zijn visioen dat het voltrokken was, zie de tabernakel is bij de mensen (Openb 21:3), God zelf was naar beneden gekomen en woonde bij hen. Jezus had dit al aangekondigd in Johannes 14, ”Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben, en gij in Mij en Ik in u.” (Joh 14:20), bevestigd door de schrijver van de brief aan de Hebreeën, “Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen….Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. (Hebr 8:8-10)”
Het was de plek die Jezus bereid had voor zijn volk, de wereld van het nieuwe verbond, de wereld van het evangelie van Jezus – het geestelijke koninkrijk van God waarvan Jezus zei dat het nabij gekomen was, zoals aangekondigd in Hebr 8:13 – en die dagen waren gekomen, 70 NC.
Conclusie
Een ding is zeker, het begrijpen van het woord ‘heiden’ in onze vertalingen is cruciaal in het begrijpen van Oude en Nieuwe Testament en het volk op wie de verbonden van toepassing zijn. Als we niet begrijpen wat ‘heiden’ zijn betekent, zullen we ook niet de tijd en de aard begrijpen van zijn wederkomst. En het meest belangrijke, we beperken onszelf in het toepassen van het koninkrijk hier op aarde.

Anne

14-03-2019 11:17
Hallo drs ten Napel, sorry dat ik wat laat reageer, maar ik heb een paar dagen geleden pas jou reacties gelezen.
N.a.v. van jou eerste reactie: Met de brits Israël theorie heeft het niets te maken en in die theorie geloof ik ook niet.
N.a.v. van je tweede reactie: Dat je het moeilijk vindt om aan te nemen, dat is begrijpelijk; de huidige Israël theologie komt daarmee op losse schroeven te staan en dat is voor de mensen die het hedendaagse Israël als uitverkoren volk zien niet acceptabel. Daarnaast komt de hele uitleg van de Romeinen brief in een ander daglicht te staan.
De hoop van de stammen in Hand 13: Ook de teksten die je aanhaalt worden veelal verkeerd geïnterpreteerd.
De beide teksten, Hand 13:47 en 22:21 refereren naar Jesaja 49:6 waar het volgende staat, “Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden weer in Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der heidenen, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde.” Voor de uitleg kijken we eerst even naar vers 5, “Maar nu zegt de Here, die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn Knecht, dat Ik Jakob tot Hem terug te brengen zou en maar Israël zal zich niet tot Hem verzamelen laten – nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des Heeren en mijn God zal mijn sterkte zijn.” Waarom wordt Israël niet verzamelt? Israël is volgens Jeremia 50:17 een opgejaagd schaap en als gevolg van de beide ballingschappen liepen de beide huizen van Israël de gewoontes (de afgoden) na van de landen waarheen ze verdreven waren. In Hosea 4:17-18 staat, “Verknocht aan beelden is Efraïm. Laat hem geworden!” God gaf ze over aan de afgoderij, Hosea 12:1, “Met leugen heeft Efraïm Mij omringd, met bedrog het huis Israëls – maar Juda heerste nog met God en was met de heiligen getrouw.” Er bleef dus alleen een overblijfsel van de Joden over, het goede deel van die in ballingschap waren, omdat de Messias uit hen geboren moest worden (de scepter zal van Juda niet wijken totdat Silo komt).
Terug naar Jesaja 49:6, wie zijn daar de ‘bewaarden van Israël’? Zoals Hosea zei, Efraïm (beelddrager van de 10 stammen) liep de afgoden na (4:17), maar een deel van Israël (Juda) heerste met God (12:1) en dus zijn zij de ‘bewaarden van Israël’ die heersten met God. God hield ze zich voor zichzelf (net als bij Elia, waar 7000 overbleven die zich niet bogen voor de Baäl). Er was altijd een overblijfsel die God voor zichzelf bewaarde. Dus in Jesaja 49:6 zijn de ‘bewaarden van Israël’ een deel van het huis van Juda die getrouw waren gebleven. Daarom staat er ook in vers 6, “Het is te gering,….om de stammen van Jacob weder op te richten…en de bewaarden weer in Israël terug te brengen ” Welke stammen? De stammen van Juda, Benjamin en Levi ofwel het huis van Juda; en het overblijfsel daarvan zou Hij weer terug brengen.
Maar wat gebeurde er dan met de overige 10 stammen? Verder in vers 6, “Ik heb U ook gegeven tot een licht der ‘heidenen’, om mijn heil te zijn tot aan de einde der aarde.” Want het huis van Israël (10 stammen) was verstrooid over de volken, zij wisten niet eens meer dat ze Israëliet waren (net als de Joden die niet getrouw waren gebleven); ze waren verloren in zonde en zij waren in de ogen van de Joden de ‘onbesneden heidenen’. In Hosea 1:9 wordt het huis van Israël niet-mijn-volk genoemd, niet meer Israël, maar heidenen genoemd; in Jeremia 50:17 wordt het huis van Israël een opgejaagd (verstrooid) schaap genoemd; Jezus was gekomen voor de verloren schapen van het huis van Israël; ook het verhaal van de verloren schaap in Matt 18, “de Vader wil niet dat één dezer kleine schapen verloren gaat”, de heidenen ofwel de 10 stammen van het huis van Israël; dezelfde verlorenen door Petrus herhaalt in 1 Petrus 3:9, “Hij wil niet dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen”; en inderdaad, net als Jacobus had Petrus brief geschreven aan de 12 stammen in de verstrooiing, met als doel om de beide huizen als een reine maagd voor Christus te stellen (ook een klein deel van het huis van Juda was weggevoerd door Assyrië, vandaar de 12 stammen).
Dus je hebt de ‘bewaarden van Israël’, het overblijfsel van het huis van Juda die aan God getrouw waren gebleven, en je hebt de (door de Joden) onbesneden heidenen genoemd, hoofdzakelijk de verlorenen van het huis van Israël, maar ook een klein gedeelte van de Joden, die in zonde waren gevallen. En deze Israëlieten hadden het “Licht” nodig, dit waren de heidenen waar Jezus het licht voor was…
In brief aan de Romeinen legt Paulus aan de Joodse christenen uit dat het evangelie ook voor de onbesneden heidenen (het huis van Israël) was en dat de beide huizen van Israël weer tot één geheel gemaakt zouden worden, zoals bevestigd in hoofdstuk 11, de vervulling van de profetie van Ezechiël 37, de beide stukken hout tot één stuk hout gevoegd.
De Hogepriester had al geprofeteerd in Joh 11:52, “Jezus was niet alleen gekomen voor het Joodse volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods die verstrooid waren tot één zou vergaderen”, zoals bevestigd door Paulus in de brief aan de Efeziërs 2:14. Er zou een nieuw verbond gesloten worden met het huis van Israël en met het huis van Juda, nergens in de bijbel vinden we dat er een nieuw verbond gesloten zou worden met Israël en de ongelovige heidenen. En hoe zit het dan met de ongelovige heidenen? De ongelovige heidenen die het evangelie hoorden en aannamen zouden mee liften met deze belofte en onderdeel worden van het nieuwe verbond.
Het gaat alleen maar over Israël, de profeten en hun toehoorders waren helemaal niet bezig met het hier en nu, daar waren ze totaal niet in geïnteresseerd. Hun profetieën allemaal tot vervulling gekomen, en er is geen enkele profetie die nog vervuld moet worden. Zoals Jezus zei, dit zijn de dagen van vergelding, dat alles wat geschreven is tot vervulling komt…
Tot zover eerst even, morgen kom ik nog even terug op de uitdrukking “tot het einde der aarde”…

drs. A ten Napel

16-02-2019 03:40
Hallo Anne. Ik ben even naar de site geweest welke je aanreikte en daar heb k wel vaker gedeelten uit gelezen.
Jij en ook je bron scheiden in Rom. 11, 23 dus het huis van Juda zijn en de verloren 10 stammen als de rest.
Ik vind dit moeilijk om aan te nemen Paulus scheidt deze twee en tien stammen niet. Ezechiël wel maar dan spreekt hij over de terugkeer van het volk. Paulus heeft altijd met zijn boodschap in gedachten de hoop van de 12 stammen Hd. 13 en en daar komt ook de heiden evangelisatie aan bod; zie Hd. 22. 17 f.f.f. Ook in Jk 1, 1 bedoelt de broer van Christus hetzelfde. Zie ook Hd. 26, 5-7. Deze verzen lijken mij duidelijk en ook toepasbaar op Rm. 11

drs. A ten Napel

16-02-2019 03:18
Hallo ik heb uw relaas gelezen en ook ken ik deze stroming als Brits Israël theorie. Ik hang deze niet aan maar dat wil niet inhouden dat ik uw relaas niet serieus heb genomen.Gods zegen

Anne

09-02-2019 04:37
Daar heb ik een heel ander idee over, één die veel meer in harmonie is met heel de bijbel. En dat heeft alles te maken met de bijbelse identiteit van de Joden, die het twee stammen huis van Juda zijn en de "ethne" in het nieuwe testament verkeerd vertaald met "heidenen", die de 10 gescheiden en verstrooide volken van het huis van Israël zijn. Paulus stelt Romeinen 11 vast (zoals we ook zien in Rom 9:24-25) dat dit allemaal gaat over het hertrouwen van God met het overblijfsel van het herenigde huis van Israël en huis van Juda zoals geprofeteerd in Hosea 1 en 2, maar ook in Ezechiel 37, de profetie over de twee stukken hout. Nergens in zowel het nieuwe testament als het oude testament vinden we dat het nieuwe verbond is gesloten of gesloten zou worden met Israël en de heidenen (de niet-Israelieten). Hieronder haal ik een gedeelte aan uit een artikel over Rom 11 van de website www.zoekdewaarheid.nl die één en ander bevestigd:
Romeinen 11:23-27

23 Maar ook zij (huis van Juda) zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. 24 Want indien gij (huis van Israël) uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur (na gescheiden te zijn door God) behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen (huis van Juda), naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden. 25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël (huis van Juda) gekomen, totdat de volheid der heidenen (het huis van Israël) binnengaat, 26 en aldus zal gans Israël (het overblijfsel van de 12 stammen) behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van (de afstammelingen van) Jakob afwenden. 27 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.

De apostel Paulus wilde niet dat de eerste eeuw christenen onwetend zouden zijn van het geheimenis van Israëls’ blindheid. Vele 21ste eeuw christenen zijn nog steeds niet op de hoogte van het feit, dat in dit tekstgedeelte Israël wordt voorgesteld door het huis van Juda en de heidenen de volken van het huis van Israël voorstellen. Het waren deze heidense onbesneden Israëlieten van het huis van Israël die de “goyim” waren waarover Ezechiël had geprofeteerd dat zij weer herenigd zouden worden met hun broeders van het huis van Juda. Zij vertegenwoordigen de twee dode stukken hout van Ezechiël 37 die weer tot leven gebracht werden – wedergeboren om vruchtdragende takken te zijn in Christus.

“Gans Israël zal behouden worden” en “de verlosser uit Sion” zal komen om de “goddeloosheden van Jacob af te wenden”, zijn het resultaat van het opengegaan van de ogen van het huis van Juda en het terugkomen van het huis van Israël naar hun God, beschreven in Rom 11 als het binnengaan van de “de volheid der heidenen”. Voordat “gans Israël” behouden zou worden moesten de beide groepen bij elkaar moeten komen. Dit is de enigste interpretatie die harmonie brengt in de verklaring dat een overblijfsel van het huis van Israël behouden zou worden volgens Rom 9:27, en dat tegelijk ook een overblijfsel van het huis van Juda behouden zou worden volgens Rom 11:5, en dat “gans Israël” behouden zou worden volgens Rom 11:26. We komen niet uit de controverse in de discussie van Paulus over de twee olijftakken als we blijven uitgaan van het samengaan van de Israëlieten met de niet-Israëlieten.

Wanneer we begrijpen dat de natuurlijke of gecultiveerde olijftak het huis van Juda voorstelt en dat de wilde olijftak het heidense onbesneden huis van Israël voorstelt, zijn Rom 9:27, 11:5 en 11:26 betrekkelijk eenvoudig met elkaar te rijmen. En inderdaad, een overblijfsel van “gans Israël”, ofwel de beide huizen van Israël waren behouden en zo zijn alle drie teksten in harmonie met elkaar.

Dit komt ook weer overeen met twee profetieën van Jeremia,

1 Te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal Ik voor alle geslachten van (het volk van) Israël tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn…. Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid. 4 Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls…. 5 gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria (hoofdstad van het huis van Israël),…. 6 Want de dag is daar, dat de wachters roepen op het gebergte van Efraïm: Komt, laat ons opgaan naar Sion (een andere naam voor Jeruzalem, hoofdstad van Juda), tot de Here, onze God! 7 Want zo zegt de Here: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de Here heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van (alle geslachten) Israël. (Jeremia 31:1-7)

20 In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij is er niet, en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven (het overblijfsel). (Jeremia 50:20)

Zoals geprofeteerd in Jeremia 31, 50 en zoals verklaard door Paulus in Rom 11, red God een overblijfsel vanuit al de geslachten van de beide huizen van Israël.

In Jeremia 31, wordt het huis van Israël voorgesteld door een kudde schapen die weer verzameld moesten worden van waarheen ze verstrooid waren,

10 Hoort het woord des Heren, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. (Jeremia 31:10)

De hoge priester Kajafas bevestigde dat het bijeenbrengen van het huis van Israël voltrokken zou worden bij de dood van Jezus,

… Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen:… het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk (van Juda) en niet het gehele volk verloren gaat…..hij profeteerde, dat Jezus zou sterven voor het volk (het huis van Juda), 52 en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods (het huis van Israël) bijeen te vergaderen. (Joh 11:49-52)

In de bijbel wordt alleen Israël geïdentificeerd als schapen,

Daarop zeide hij (de profeet Micha): Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen, die geen herder hebben, (1 Kon 22:17)

Een opgejaagd schaap is Israël, dat leeuwen hebben opgedreven; eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden en nu ten laatste heeft Nebukadnessar, de koning van Babel, het de beenderen afgeknaagd. (Jeremia 50:17)

…. en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn, luidt het woord van de Here Here. 31 Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; (Ezechiël 34:30-31)

…begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. (Matt 10:6)

Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël. (Matt 15:24)

De beide groepen of schapen waar Kajafas naar refereerde in Joh 11 vertegenwoordigen de Israëlieten. Dit zien we terug in hoe Kajafas de uitdrukking “de kinderen Gods” gebruikte, bijna identiek aan de uitdrukking die Mozes gebruikte in Deut 14:4 die daarmee de Israëlieten bedoelde. De uitdrukking van Kajafas “de verstrooide kinderen” geeft aan dat het om de tweede kudde gaat, de afstammelingen van het huis van Israël.

De profetie van Kajafas is in harmonie met de verklaring van Jezus die we vinden in het hoofdstuk daarvoor,

14 Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,… Ik zet mijn leven in voor de schapen (van het huis van Juda). 16 Nog andere schapen (het huis van Israël) heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder. (Joh 10:14-16)

Dit is de vervulling van een profetie van Micha,

Voorzeker zal Ik u, o Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël (van beide huizen). Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide. (Micha 2:12)

Jesaja, Ezechiël, Micha en Zacharia profeteerden dat deze hereniging zou beginnen in de tijd van het nieuwe verbond. Jeremia profeteerde dat deze het huis van Israël en het huis van Juda waren, waarmee God een nieuw verbond zou maken,

27 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda (in hun respectievelijke verstrooiingen) bezaai met zaad van mensen en zaad van dieren; 28 en het zal gebeuren, zoals Ik wakker ben geweest om hen uit te rukken en af te breken, te verwoesten en te verdelgen en rampen over hen te brengen, zo zal Ik wakker zijn om hen te bouwen en te planten, luidt het woord des Heren…. 31 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden:… 33 Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn…. want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. (Jeremia 31:27-34)

Na de verklaring dat “gans Israël” behouden zou worden, haalde Paulus een gedeelte van Jesaja 59 aan,

20 Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des Heren. 21 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen (de Israëlieten), zegt de Here. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Here, van nu aan tot in eeuwigheid. (Jesaja 59:20-21)

Het verbond waar God naar refereerde was het nieuwe verbond. Jesaja 59:20 profeteerde over hen die “zich in Jacob van overtreding bekeren”, ofwel een overblijfsel van alle 12 stammen van het volk Israël, die redding zouden vinden in Jezus als hun Heer en redder.

In Hebreeën 8 wordt dezelfde profetie van Jeremia 31 aangehaald,

Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. (Hebr 8:8-10)

Let op dat de profetie in de dagen van Jeremia toekomst was maar hier in Hebreeën spoedig zou worden vervuld, zoals we ook zien in een paar verzen verderop,

Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning. (Hebr 8:13)

Het is overduidelijk dat het nieuwe verbond gemaakt is met het overblijfsel van de beide huizen van Israël (het Huis van Juda en het Huis van Israël), die hier expliciet worden afgebeeld als de fysieke afstammelingen van Israël die Mozes uit Egypte had geleid. Je zult tevergeefs zoeken naar een tekst waarin staat dat het nieuwe verbond met iemand anders gesloten zou zijn dan met Israël. En waarom alleen met Israël? Omdat het nieuwe verbond (net als het oude verbond) een huwelijksverbond was waar God opnieuw met Israël zou trouwen, eigenlijk zou hertrouwen. Het is een hernieuwd huwelijksverbond met Israël zoals geprofeteerd door o.a. Hosea 1 & 2.

En dat heeft allemaal 70 NC plaats gevonden toen het oude verbond met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel definitief werd verwijderd en het nieuwe verbond werd bekrachtigd, alle dingen nieuw gemaakt, waar God bij de mensen woont en zij zijn volk zijn (Openb 1:3), een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen...

De bijbel in complete harmonie, en zo hoort het ook...