#Tb Beter dan Ivoor of goud
Enquête: 064-Ik vind het goed dat vrouwen in kerken voorgaan! Ja Nee

Romeinenbrief

Romeinen 11-23-26a

We naderen de climax van het leerstellig onderwijs van de apostel Paulus in de Romeinenbrief.
Hij is begonnen in Rm. 1,18 en eindigt in Rm. 11, 32. Hij sluit het geheel af met een geweldige lofprijzing. In deze gedeelten heeft Paulus behandeld datgene dat hij heeft samengevat in Rm. 1, 16.17.
“Wat ik schaam mij niet voor het evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot behoud. Eerst voor de Jood en ook voor de Griek. De gerechtigheid wordt geopenbaard van geloof tot geloof; De rechtvaardige zal leven uit geloof.


Rm. 11, 23-24.

Wanneer, bij olijfbomen een wilde olijf geënt wordt op een tamme olijfstam mislukt doorgaans dit proces; de boom draagt weinig vruchten, wat bessen en daar blijft het bij. Andersom werkt het wel.
Toch beschrijft Paulus het enten van wilde takken op een tamme stam en er komen hoe tegennatuurlijk dit ook is, wel vruchten. Dit is de achtergrond van de vraag in vers 23; een van nature tamme olijftak, levert over het algemeen geen problemen als de stam olijf ook tam is.
Heidenen ( wilde takken) geënt een tamme olijfboom, heeft hoewel, dit tegen de natuur van de boom in is, de boom niet wild  gemaakt in tegendeel de takken (de gelovigen uit de heidenen) zijn tam geworden. De tekst stelt afgezet tegen deze achtergrond de vraag: “Kan God Israël herstellen?”
De apostel noemt de naam van Israël nog niet maar laat weten: als zij niet bij hun ongeloof blijven dan behoort opnieuw enten tot de mogelijkheden. God is machtig hen opnieuw te enten.

Een stukje toepassing: een geweldige mogelijkheid beste vrienden, maar het draait om geloof. Het draait om het afkeren van een houding van ongeloof en dus een houding van geloof als keuze te laten zien.

Welnu zegt de apostel als conclusie: Heidenen zijn geënt, tegennatuurlijk en daarom is een natuurlijke enting van tamme olijf op een een tamme stam voor God een peulenschil. Israël  zal zeker op zijn eigen stam worden terug gezet. Om nog even bij het beeld van de olijfboom te blijven, er liggen bij wijze van spreken tamme takken op de grond om de boom heen en wilde takken zijn geënt op de plaatsen waren de tamme takken eerst hun plek hadden! Wanneer het proces wordt omgedraaid lijkt het de zaak dat er dus weer ruimte moet worden gemaakt.

Rm. 11,25-26.

Een “musterion” een geheimenis, maar welke inhoud heeft dit geheimenis.
Het behoeft niet te gaan over de verharding van Israël, deze is vanuit het Oude en Nieuwe Testament voldoende getekend. Bij elke generatie Israëlieten zijn velen  steeds opstandig t.o.v. God; zie bijv. het boek Richteren, 1 Kon. 19,18; Jes. 1 en het boek Handelingen enz. In Het Oude Testament gaan zowel het rijk van de 10 stammen en dat van de 2 stammen tenslotte in Ballingschap; verdreven uit het land van de belofte zoals Mozes in Deuteronomium al heeft laten weten.
De verblinding van Israël is een bekend gegeven, het geheimenis laat weten dat er aan deze verblinding een einde komt.
2

Dan nu de inhoud van het geheimenis: Allereerst maar de opmerking over Rm. 11, 25 is veel geschreven. De apostel zegt: “Want ik wil niet broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs ben bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan; en zo zal heel Israël behouden worden.”
Paulus maakt de gemeente in Rome een geheimenis bekend en hij doet dit om hen te behoeden voor een eigenwijze hoogmoedige houding t.o.v. het (nog ) ongelovige Joodse volk.
Dit is nodig want de gemeente in Rome bestaat voor een (klein) deel uit Joden die de Messias hebben aangenomen; zij worden door de Joodse gemeenschap met argwaan bekeken.
Heidenen lopen het gevaar zich te verheffen en Israël te verachten, terwijl hun taak is hen jaloers te maken op hun geloof in de Joodse Messias.

Er is over deze tekst veel geschreven en ik wil twee schrijvers aan het woord laten. Een goed zicht op deze verzen heel belangrijk. Er is een uitleg  (zie Krelof Steven A. Gods plan met Israël, een studie over Romeinen 9-11 Zoeklicht Doorn 2001 p.127) welke toegeeft dat er in de tijd van Paulus Joden tot geloof komen maar dat Israëls verharding na de opname van de gemeente wordt opgeheven. Ik laat dit voor wat het is, vanuit de profetieën in Ezechiël 37 kan hoe dan ook worden gesteld dat Gods volk tot geloof komt, voordat Jezus komt.
Nu de tekst en er worden twee interpretaties langs gelopen; deze zijn tegengesteld.

Eerst ds. Tj Boersma (De Bijbel is geen Puzzelboek J.Boersma Enschede 1977. p. 57-60).
Het gaat om de korte uitdrukking “ totdat de volheid der volken is ingegaan”en “...en zo zal geheel Israël worden behouden.”  
Boersma vindt geen enkele grond in de tekst om toekomstig behoud voor het volk Israël te zien.
Hij vertaalt: “....totdat de volheid der heidenen is binnengegaan en aldus zal gans Israël behouden worden.” Hij wil niets weten van een verschuiving van het behoud van Israël naar de toekomst; Paulus is in Romeinen 11 bezig met datgene dat er gebeurt met Israël in zijn eigen tijd.
God heeft zijn volk volstrekt niet verstoten, Paulus zelf is het voorbeeld van het tegendeel en de apostel stelt zijn eigen bediening tot leidraad van de verdere uitleg. Paulus ziet door zijn arbeid veel heidenen tot geloof komen en op dezelfde wijze klopt God door zijn genade ook weer aan bij Zijn oude bondsvolk.
Ook Joden komen in de dagen van Paulus tot geloof, in de weg van de genade, als reactie op de bekering van de heidenen zal “gans Israël” behouden kunnen worden.
Gans Israël is niet meer dan een gelovige rest; de genade staat ook voor Israël nog steeds open.
Israël is in deze opvatting deel van de volheid van de volken en een aparte toekomst is er verder niet weg gelegd. Hij stelt: “Israël is in God heilsplan geen apart volk meer, het heeft geen speciale voorrechten meer. De rol van Israël is uitgespeeld.”

Nu de mening is duidelijk het gaat dus om de uitdrukking totdat de volheid der heiden/volken is binnen gegaan en aldus (gelijktijdig in als de tijd van genade nog daar is) hebben Israëlieten de kans Jezus te vinden.

Nu staat er dit? Holwerda ( De Schrift Opent een Vergezicht Voorhoeve Kampen 1998 p.p. 160f.f.f.) gaat een andere weg.
 Holwerda geeft een zeer volledige behandeling van de exegese waarin het voor mij onmogelijk is, deze in dit korte bestek recht te doen.
Hij merkt op dat de NBG vertaling de verzen 25b niet helemaal goed weergeeft. Deze vertaalt: “Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnen gaat.”
De zinsconstructie in gebruikt in Romeinen 11, 25.26 geeft eerder een volgorde aan dan een gelijktijdige handeling. Ik zou op twee verzen uit het NT willen wijzen waar dezelfde constructie wordt gebruikt. Sla maar eens op Hd. 20, 11. In dit vers wordt dezelfde uitdrukking gebruikt welke
3
Rm. 11, 26 wordt gebruikt (“kai houtos”/ “houtos”) Het lijkt priegelwerk maar nu moet dit even,  
want de betekenis van dit ene woordje geeft namelijk geen gelijktijdige handeling aan maar een volgorde van twee handelingen en/ of gebeurtenissen. Paulus is in Handelingen 20 niet broodetende naar boven gegaan, nadat hij de jongeling had opgewekt. Integendeel men heeft eerst samen de maaltijd gebruikt en is daarna (houtos) zo vertrok hij!  Wil nu opslaan 2 Thes. 4, 16.17?  Het gaat in deze verzen eveneens om een volgorde “... en zo alzo zullen wij altijd met de Here zijn.”
In deze verzen legt Paulus uit: Er klinkt een bevel van een aartsengel, hij roept de doden uit de graven, want  degene die in Christus zijn gestorven het eerst zullen opstaan. Daarna degene welke opdat tijdstip nog leven worden in een onderdeel van een seconde veranderd en alzo, zo, op die manier (houtos) zullen wij samen met de Here zijn. Duidelijk is ook hier dat er na elkaar drie handelingen plaats vinden voordat dit de zaak is.

Ik hoop dat duidelijk is geworden dat het woord “houtos” of “kai houtos”en al zo enz. in Rm. 11, 26 een volgorde van handelen aangeeft.
Het gaat in Rm. 11, 25.26 om de volgorde dat de gedeeltelijk verharding van Israël wordt opgeheven en dat dit gebeurd als het getal van de heidenen die het koninkrijk binnengaan vol is. Daarna zal gans Israël (wellicht ook een volheid) behouden worden.

Ik geloof dat voordat Jezus terug komt God zich gaat richten op het behoud van Zijn oude bondsvolk. Israël als volk zal de Messias ontmoeten; dit betekent trouwens niet dat elke Israëliet zalig wordt. Israël is op deze wijze een eindtijd teken en wijst nu al op de spoedige komst van Jezus. Volgende keer de rest van Romeinen 11.

Zegen en groet drs. Age ten Napel

Reageren


drs. A ten Napel

16-02-2019 03:40
Hallo Anne. Ik ben even naar de site geweest welke je aanreikte en daar heb k wel vaker gedeelten uit gelezen.
Jij en ook je bron scheiden in Rom. 11, 23 dus het huis van Juda zijn en de verloren 10 stammen als de rest.
Ik vind dit moeilijk om aan te nemen Paulus scheidt deze twee en tien stammen niet. Ezechiël wel maar dan spreekt hij over de terugkeer van het volk. Paulus heeft altijd met zijn boodschap in gedachten de hoop van de 12 stammen Hd. 13 en en daar komt ook de heiden evangelisatie aan bod; zie Hd. 22. 17 f.f.f. Ook in Jk 1, 1 bedoelt de broer van Christus hetzelfde. Zie ook Hd. 26, 5-7. Deze verzen lijken mij duidelijk en ook toepasbaar op Rm. 11

drs. A ten Napel

16-02-2019 03:18
Hallo ik heb uw relaas gelezen en ook ken ik deze stroming als Brits Israël theorie. Ik hang deze niet aan maar dat wil niet inhouden dat ik uw relaas niet serieus heb genomen.Gods zegen

Anne

09-02-2019 04:37
Daar heb ik een heel ander idee over, één die veel meer in harmonie is met heel de bijbel. En dat heeft alles te maken met de bijbelse identiteit van de Joden, die het twee stammen huis van Juda zijn en de "ethne" in het nieuwe testament verkeerd vertaald met "heidenen", die de 10 gescheiden en verstrooide volken van het huis van Israël zijn. Paulus stelt Romeinen 11 vast (zoals we ook zien in Rom 9:24-25) dat dit allemaal gaat over het hertrouwen van God met het overblijfsel van het herenigde huis van Israël en huis van Juda zoals geprofeteerd in Hosea 1 en 2, maar ook in Ezechiel 37, de profetie over de twee stukken hout. Nergens in zowel het nieuwe testament als het oude testament vinden we dat het nieuwe verbond is gesloten of gesloten zou worden met Israël en de heidenen (de niet-Israelieten). Hieronder haal ik een gedeelte aan uit een artikel over Rom 11 van de website www.zoekdewaarheid.nl die één en ander bevestigd:
Romeinen 11:23-27

23 Maar ook zij (huis van Juda) zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. 24 Want indien gij (huis van Israël) uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur (na gescheiden te zijn door God) behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen (huis van Juda), naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden. 25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël (huis van Juda) gekomen, totdat de volheid der heidenen (het huis van Israël) binnengaat, 26 en aldus zal gans Israël (het overblijfsel van de 12 stammen) behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van (de afstammelingen van) Jakob afwenden. 27 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.

De apostel Paulus wilde niet dat de eerste eeuw christenen onwetend zouden zijn van het geheimenis van Israëls’ blindheid. Vele 21ste eeuw christenen zijn nog steeds niet op de hoogte van het feit, dat in dit tekstgedeelte Israël wordt voorgesteld door het huis van Juda en de heidenen de volken van het huis van Israël voorstellen. Het waren deze heidense onbesneden Israëlieten van het huis van Israël die de “goyim” waren waarover Ezechiël had geprofeteerd dat zij weer herenigd zouden worden met hun broeders van het huis van Juda. Zij vertegenwoordigen de twee dode stukken hout van Ezechiël 37 die weer tot leven gebracht werden – wedergeboren om vruchtdragende takken te zijn in Christus.

“Gans Israël zal behouden worden” en “de verlosser uit Sion” zal komen om de “goddeloosheden van Jacob af te wenden”, zijn het resultaat van het opengegaan van de ogen van het huis van Juda en het terugkomen van het huis van Israël naar hun God, beschreven in Rom 11 als het binnengaan van de “de volheid der heidenen”. Voordat “gans Israël” behouden zou worden moesten de beide groepen bij elkaar moeten komen. Dit is de enigste interpretatie die harmonie brengt in de verklaring dat een overblijfsel van het huis van Israël behouden zou worden volgens Rom 9:27, en dat tegelijk ook een overblijfsel van het huis van Juda behouden zou worden volgens Rom 11:5, en dat “gans Israël” behouden zou worden volgens Rom 11:26. We komen niet uit de controverse in de discussie van Paulus over de twee olijftakken als we blijven uitgaan van het samengaan van de Israëlieten met de niet-Israëlieten.

Wanneer we begrijpen dat de natuurlijke of gecultiveerde olijftak het huis van Juda voorstelt en dat de wilde olijftak het heidense onbesneden huis van Israël voorstelt, zijn Rom 9:27, 11:5 en 11:26 betrekkelijk eenvoudig met elkaar te rijmen. En inderdaad, een overblijfsel van “gans Israël”, ofwel de beide huizen van Israël waren behouden en zo zijn alle drie teksten in harmonie met elkaar.

Dit komt ook weer overeen met twee profetieën van Jeremia,

1 Te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal Ik voor alle geslachten van (het volk van) Israël tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn…. Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid. 4 Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls…. 5 gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria (hoofdstad van het huis van Israël),…. 6 Want de dag is daar, dat de wachters roepen op het gebergte van Efraïm: Komt, laat ons opgaan naar Sion (een andere naam voor Jeruzalem, hoofdstad van Juda), tot de Here, onze God! 7 Want zo zegt de Here: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de Here heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van (alle geslachten) Israël. (Jeremia 31:1-7)

20 In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij is er niet, en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven (het overblijfsel). (Jeremia 50:20)

Zoals geprofeteerd in Jeremia 31, 50 en zoals verklaard door Paulus in Rom 11, red God een overblijfsel vanuit al de geslachten van de beide huizen van Israël.

In Jeremia 31, wordt het huis van Israël voorgesteld door een kudde schapen die weer verzameld moesten worden van waarheen ze verstrooid waren,

10 Hoort het woord des Heren, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. (Jeremia 31:10)

De hoge priester Kajafas bevestigde dat het bijeenbrengen van het huis van Israël voltrokken zou worden bij de dood van Jezus,

… Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen:… het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk (van Juda) en niet het gehele volk verloren gaat…..hij profeteerde, dat Jezus zou sterven voor het volk (het huis van Juda), 52 en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods (het huis van Israël) bijeen te vergaderen. (Joh 11:49-52)

In de bijbel wordt alleen Israël geïdentificeerd als schapen,

Daarop zeide hij (de profeet Micha): Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen, die geen herder hebben, (1 Kon 22:17)

Een opgejaagd schaap is Israël, dat leeuwen hebben opgedreven; eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden en nu ten laatste heeft Nebukadnessar, de koning van Babel, het de beenderen afgeknaagd. (Jeremia 50:17)

…. en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn, luidt het woord van de Here Here. 31 Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; (Ezechiël 34:30-31)

…begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. (Matt 10:6)

Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël. (Matt 15:24)

De beide groepen of schapen waar Kajafas naar refereerde in Joh 11 vertegenwoordigen de Israëlieten. Dit zien we terug in hoe Kajafas de uitdrukking “de kinderen Gods” gebruikte, bijna identiek aan de uitdrukking die Mozes gebruikte in Deut 14:4 die daarmee de Israëlieten bedoelde. De uitdrukking van Kajafas “de verstrooide kinderen” geeft aan dat het om de tweede kudde gaat, de afstammelingen van het huis van Israël.

De profetie van Kajafas is in harmonie met de verklaring van Jezus die we vinden in het hoofdstuk daarvoor,

14 Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,… Ik zet mijn leven in voor de schapen (van het huis van Juda). 16 Nog andere schapen (het huis van Israël) heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder. (Joh 10:14-16)

Dit is de vervulling van een profetie van Micha,

Voorzeker zal Ik u, o Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël (van beide huizen). Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide. (Micha 2:12)

Jesaja, Ezechiël, Micha en Zacharia profeteerden dat deze hereniging zou beginnen in de tijd van het nieuwe verbond. Jeremia profeteerde dat deze het huis van Israël en het huis van Juda waren, waarmee God een nieuw verbond zou maken,

27 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda (in hun respectievelijke verstrooiingen) bezaai met zaad van mensen en zaad van dieren; 28 en het zal gebeuren, zoals Ik wakker ben geweest om hen uit te rukken en af te breken, te verwoesten en te verdelgen en rampen over hen te brengen, zo zal Ik wakker zijn om hen te bouwen en te planten, luidt het woord des Heren…. 31 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden:… 33 Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn…. want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. (Jeremia 31:27-34)

Na de verklaring dat “gans Israël” behouden zou worden, haalde Paulus een gedeelte van Jesaja 59 aan,

20 Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des Heren. 21 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen (de Israëlieten), zegt de Here. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Here, van nu aan tot in eeuwigheid. (Jesaja 59:20-21)

Het verbond waar God naar refereerde was het nieuwe verbond. Jesaja 59:20 profeteerde over hen die “zich in Jacob van overtreding bekeren”, ofwel een overblijfsel van alle 12 stammen van het volk Israël, die redding zouden vinden in Jezus als hun Heer en redder.

In Hebreeën 8 wordt dezelfde profetie van Jeremia 31 aangehaald,

Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. (Hebr 8:8-10)

Let op dat de profetie in de dagen van Jeremia toekomst was maar hier in Hebreeën spoedig zou worden vervuld, zoals we ook zien in een paar verzen verderop,

Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning. (Hebr 8:13)

Het is overduidelijk dat het nieuwe verbond gemaakt is met het overblijfsel van de beide huizen van Israël (het Huis van Juda en het Huis van Israël), die hier expliciet worden afgebeeld als de fysieke afstammelingen van Israël die Mozes uit Egypte had geleid. Je zult tevergeefs zoeken naar een tekst waarin staat dat het nieuwe verbond met iemand anders gesloten zou zijn dan met Israël. En waarom alleen met Israël? Omdat het nieuwe verbond (net als het oude verbond) een huwelijksverbond was waar God opnieuw met Israël zou trouwen, eigenlijk zou hertrouwen. Het is een hernieuwd huwelijksverbond met Israël zoals geprofeteerd door o.a. Hosea 1 & 2.

En dat heeft allemaal 70 NC plaats gevonden toen het oude verbond met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel definitief werd verwijderd en het nieuwe verbond werd bekrachtigd, alle dingen nieuw gemaakt, waar God bij de mensen woont en zij zijn volk zijn (Openb 1:3), een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen...

De bijbel in complete harmonie, en zo hoort het ook...