Heeft de gelovige een vrije wil?

0
97
Veel mensen, zeker Westerlingen, denken dat ze een vrije wil bezitten. Ook veel gelovigen denken dat. Het werd zelfs inzet van grote ruzies in de christenheid, zoals in de Reformatie. Maar wat is ‘vrije wil’ eigenlijk? Hoe rijmt dit met de verplichtingen van het geloof? Moet een gelovige zich niet volledig aan God onderwerpen en de door God ingestelde machtshiërarchieën gehoorzamen? Is dat niet het einde van een ‘vrije wil’? Wat staat erover in de Bijbel?

Door Marco van Putten

Vrije wil staat voor vrijheid van denken en keuze. Echter niet voor vrijheid in het algemeen. Toch worden deze onterecht vaak aan elkaar gelijk gedacht. Door het woord ‘vrije’ voor ‘wil’ te plaatsen wordt verondersteld dat de wil volledig vrij is. Onbelemmerd en onbegrensd. Maar dat zou veel (grote) problemen geven, want iemands vrije wil gaat dan altijd ten koste van dat van iemand anders. Vrije wil is dus gebonden aan de interactie tussen mens en de Schepping. Het kan dus niet zonder regels en scheidsrechters. De vrijheid van wil is dus ingekaderd. Maar zelfs de ‘wil’ is ingekaderd, namelijk door het willen, kunnen en mogen. Bestaat vrije wil dan wel?

‘Vrije wil’ in de Bijbel
De woorden ‘vrije wil’ staat nergens in de Bijbel. In het Oude Testament (OT) wordt ‘nefesj’ er mee in verband gebracht, maar dit woord wordt meestal vertaald als ‘ziel’ (1). Dat staat voor het geheel van de (innerlijke) persoon. Iemands intenties, gevoelens, gedachten en ook diens wil. De ‘wil’ is een van de eigenschappen van een persoonlijkheid. Een meer toegespitst woord uit het OT is ma’an – ‘(be)doel(ing)’, afgeleidt van de stam ’anah – (be)antwoorden/getuigen. Andere woorden zijn afgeleidt van de stam ‘avah – willen/instemmen. Deze benoemen verschillende aspecten van de ‘wil’. In het Nieuwe Testament is dat ook zo met woorden als thelo – willen/bedoelen of boulomai – besluiten/actief nastreven. Het wijst erop dat in de oudheid de ‘wil’ geen opzichzelfstaand begrip was.

Bestaat de vrije wil?
Veel mensen willen vrij zijn om te doen en laten wat ze verlangen. Het zou garant staan voor het grootste geluk en de hoogste zelfontplooiing. Maar de gedachte van de vrije wil komt wel voort uit welvaart. De meeste mensen leven echter in een wereld vol beperkingen (extern). Sommige mensen leven met beperkingen in zichzelf (intern) (2). Zelfs al hebben mensen alles mee, dan nog vereist vrije wil ruimte in fysieke zin, maar ook in andere zin, zoals geld, kansen en middelen. Die ruimte is echter vrijwel altijd beperkt. Ondanks dat de wereld schijnbaar zo enorm veel ruimte biedt.

Ouders, de werkkring en overheden leggen regels en beperkingen op. Maar ook kan geen enkel mens ontsnappen aan de grenzen van de eigen persoonlijkheid. Niemand kan vrijer zijn dan de grenzen van bijvoorbeeld hun lichaam, karakter, zelfvertrouwen of de eigen wilskracht. Mensen neigen naar gewoontes en vaste patronen, zijn vaak lui, angstig of overmoedig en behoudend. Mensen die benadrukken een vrije wil te hebben willen niet geconfronteerd worden met zulke grenzen, dus redeneren ze die vaak weg of overtreden ze. Kan dat niet, dan worden ze boos en kunnen ze zelfs overgaan tot geweld. Wie echter die grenzen bestudeert en de antwoorden vindt waarom die bestaan zou tot het besef komen dat het concept ‘vrije wil’ een illusie is. Die vaststelling kan voor sommige mensen verontrustend, maar voor anderen rustgevend zijn!

Dat de ‘vrije wil’ een mythe is betekend echter niet dat de mens geen wil heeft en deze kan inzetten om iets na te streven, zoals maximale vrijheid. De vraag is echter wat vrijheid is. Belangrijker nog is de vraag of vrijheid het hoofdstreven moet zijn of dat er urgentere zaken zijn. Streven naar vrijheid betekent altijd beïnvloeding (3) van de samenleving, want niemand staat daar los van. Maar het resulteert altijd in een tijdelijk compromis. Vrijheid is dus slechts heel beperkt en relatief (4).

Vrijheid van gelovigen
Sommige gelovigen denken dat ze van Godswege een vrije wil hebben en die moeten gebruiken om naar maximale vrijheid te streven. Hun geloof en de uitstorting van de Heilige Geest zouden dat mogelijk maken. In de Bijbel worden echter, naast anderen, de volgende grenzen beschreven:

Gods Almachtige wil
Gelovigen erkennen Gods bestaan en dus ook dat Hij ‘boven’ mensen staat (Js 55:9). Zijn Wil is immers machtiger (Job 40:4 (9)). Toch neigen zij er naar Gods wil naar hun eigen wil te buigen.

Vervallen Schepping
In de Bijbel staat dat de Schepping in een vervallen staat is terechtgekomen. De mens dus ook. Deze voortgaande corrumpering bepaalt het leven op aarde. Toch hebben veel gelovigen een positief beeld van de Schepping en van zichzelf.

Oorlog tegen God en Zijn volk
Er is een nog sterkere actieve tegenkracht; satan die samenzweerders tegen God om zich heen verzamelt. Er wordt oorlog gevoerd tegen God en diens kinderen (Opb 13:7). Toch denken veel gelovigen dat de almachtige God al die tegenkrachten in Zijn macht heeft. Omdat God uiteindelijk de oorlog zal winnen wordt dit gegeven (volledig) naar vandaag verdisconteerd (5).

God verbindt Zich alleen voorwaardelijk
Zijn voorwaarden (van de Torah) zijn niet zozeer het gevolg (6) van de vervallen staat van de Schepping en het bestaan van satan, maar bedoeld als onderricht voor de mens over Gods wil. Voor de geloofsafval van Adam en Eva was er dus al een Torah. Gods wil is echter vaak strijdig, hoger en verwerpelijk voor de wil van de mens (Gn 3:6, 12). Torah dient als een referentie waarnaar de wil van de mens moet veranderen. Maar ook deze voorwaardelijkheid en Zijn referentiepunt wordt terzijde geschoven ten gunste van een veralgemeniseerd begrip van Gods genade (7).

Vrijwillige onderwerping aan God
God eist dat de mens zich vrijwillig aan Hem onderwerpt door Hem als diens Heer en Koning te aanvaarden. Gelovigen zijn erdoor Gods Eigendom. Er is dus keuzevrijheid (8), maar de wil komt vanaf dan meteen in het gareel van Gods wil. Wat Gods straf of zegen ook rechtvaardig maakt. Maar zelfs hiervan stellen gelovigen dat God alleen wil dat mensen vrij zijn. Dit wijst erop dat zelfs gelovigen gegrepen zijn door de illusie van de ‘vrije wil’ en dat God dat blijkbaar toelaat (9).

Geloof confronteert gelovigen met deze beperkingen. Ontkennen ervan betekent belemmeren van geloofsgroei, ondanks dat hun geloof tot die groei verplicht. Ontkennen is dus zondigen (10). Dat bevestigt dat God gelijk heeft als Hij stelt dat mensen van nature altijd hun doel missen, corrupt en boosaardig zijn en zichzelf te gronde richten (Gn 8:21; Jh 3:19). Dat mensen vanaf hun verwekking slaven (11) van vleselijkheid zijn, gericht op het behagen van satan en doen van kwaad.
 
Geloof zou de waarheid over de grenzen van wat wenselijk is moeten onthullen en gelovigen erdoor veranderen (Jh 14:15; 1 Kor 6:12). Dan zou helder worden dat mensen niet in staat zijn van zichzelf te weten wat vrijheid is, laat staan wat een vrije wil is. Toch is het humanisme de filosofie van de samenleving geworden; de mens, die het centraal stelt, bepaalt de norm van de Schepping. Dat vraagt een veridealiseerde mens; de supermens. Het richtpunt van Evolutietheorie (12). De ‘ondermensen’ moeten plaatsmaken voor de supermens, zodat hun koning, de goddelijke mens (de antichrist), zich kan openbaren.

Voorbeschikking en uitverkiezing
God lijkt planmatig te handelen (13). Aan een plan gaat een intentie vooraf. Een idee en een doel. Dit plan van God zou dan grotendeels verklaren waarom dingen gebeuren naar Zijn wil. In de Bijbel wordt het Griekse woord prothesis (voornemen/bepalen) in verband met God gebruikt (Rm 9:11). Soms voorafgegaan door het woord aioon – voortdurend/van oorsprong (Ef 3:11). Dan lijkt het op een plan dat in uitvoering is, maar kan het ook duiden op iets dat ‘klaar lag’ of ‘(lang) van tevoren bedacht was’. Ook kan een plan uit verschillende onderdelen bestaan waarvan sommigen nog (moeten) wachten om uitgevoerd te worden, terwijl andere in werking of beëindigd zijn. Het lijkt er op dat Gods plan allang (14) in uitvoering is. De vraag is of er ruimte bestaat om te anticiperen naar gelang een bepaalde situatie daarom vraagt zonder het grotere geheel van Zijn plan te veranderen. Hoe gedetailleerd is immers Gods plan?

Sommige brengen Gods plan in verband met ‘lotsbestemming’ (15). Gelovigen brengen dit in verband met de uitverkiezing die in de Bijbel genoemd wordt. Dat kan heel extreme vormen aannemen (16). Er zijn er die denken dat het onmogelijk is daaraan te ontsnappen (17). God zou alles voorbeschikt (predestinatie (18)) hebben. Voorbeschikking en uitverkiezing (19) zouden in elk geval vrije wil onmogelijk of irrelevant maken.

Maar is er wel voorbeschikking waardoor heel Gods handelen wordt bepaald? In de Bijbel wordt het niet zo beschreven, want anders zou dat een onoverkomelijke belemmering voor ongeveinsde en oprechte liefde zijn. Alleen uitverkiezing wordt genoemd en dan in de zin van geliefd zijn, apart stellen, beschermen en zegenen (20). Het is eerder dynamisch en niet zozeer een statisch gegeven. Het is het gevolg van de relatie van God met de gelovige dat ingekaderd wordt door Zijn Verbond (en diens Torah) gericht op geloofsgroei. Uitverkiezing wordt dus Verbonds(trouw)afhankelijk, maar is geen willekeurige beslissing van God(21).

God richt Zijn Ogen op (het hart van) gelovigen die gehoorzaam zijn aan Zijn woord en zich vrijwillig aan Hem onderwerpen. Juist die keuze doet Gods gunst, onderricht en zegen groeien (22). Hij schenkt geen aandacht aan gelovigen die de vrijheid van hun eigen wil zoeken.

1. De ‘ziel’ is onafscheidelijk van de persoon en dus geen afzonderlijke entiteit. Toch wordt meestal gedacht dat dit wel zo is. De ‘ziel’ ontstaat in een persoon bij diens geboorte en is niet pre-existent.

2. De geestelijk en/of lichamelijk gehandicapten.

3. Sommigen zoeken dat in verborgen krachten; de wereld van de esoterie en magie. Maar deze heeft ook eigen regels, grenzen en een prijs. God verbiedt zich daarmee bezig te houden (Rm 13:12; 1 Kor 10:20).

4. Het streven naar vrijheid is dus ijdel.

5. Gods toekomstige eindoverwinning zou al betekenis hebben voor vandaag. Dit is een zeer naïeve kijk op Gods werkelijkheid, dat, zonder het te beseffen, God bespot. Het geeft ook grote risico’s en schade voor gelovigen.

6. Torah is niet bedoeld om het verval van de Schepping en het bestaan van satan op te heffen. Dat kan ze niet (Rm 8:3). Ze geeft er wel uitdrukking aan en houd er rekening mee. Toch heeft het een ander richtpunt en nut. Namelijk het Messiaanse herstel en de waardering van Gods wil.

7. De onjuiste meerderheidsgedachte is dat Gods wil onvoorwaardelijk is en dat (het juridische deel van) Torah Gods genade in de weg staat.

8. Daartoe wordt de mens wel eerst ‘vrijgezet’ van bindingen van de wereld. Dat gaat er dus aan vooraf. Niemand kiest immers zo maar voor God. Elk mens is oorspronkelijk Gods vijand (Rm 5:10).

9. Dit is een vergissing. God beoordeelt hoe mensen verantwoordelijkheid voor zichzelf nemen.

10. Niet alle gelovigen zijn dus ‘geestelijk’ en wederomgeboren.

11. Mensen hebben van geboorte een ‘gebonden wil’ in plaats van een ‘vrije wil’.

12. Deze theorie stelt dat de mens van dieren afstammen, maar het dierenrijk is onvrij. Zo is het instinct per definitie een ingekaderde, impulsieve, onvrije ‘wil’.

13. Gods plan onderscheidt zich van Zijn dagelijkse bestuur van de Schepping.

14. Minstens vanaf de roeping van Abram, maar waarschijnlijk al sinds de geboorte van Sjet (Gn 4:25).

15. Sommigen, zoals de Calvinisten, hebben lotsbestemming tot de basis van hun geloof gemaakt.

16. Sommigen denken dat alles vast ligt (determinisme).

17. Er tegenin gaan wordt zelfs in verband gebracht met zondigen.

18. Predestinatie is een onderdeel van lotsbestemming. Dit gaat aan uitverkiezing vooraf. God zou vooraf bepalen wie, waartoe uitverkoren is.

19. Het Griekse woord eklektos komt van ekloge wat een woordcombinatie is van ex – (er) uit en lego – roepen.

20. Uitverkiezing is dan Gods voorwaardelijke keuze (op een bepaald moment). Los van voorbeschikking.

21. Zoals in het Calvinisme, waarin het Verbond een gevolg en uitdrukking is van lotsbestemming.

22. Gelovigen onderwerpen zich steeds verder totdat hun hele leven van God is.