Hebreeën 7:10-28

0
33

De vorige verzen lieten een interactie zien tussen Abraham en Melchizédek. Deze koning van Salem komt onverwachts het leven van Abraham binnenstappen. Daar de schrijver van de brief helemaal niets zegt over de afstamming van deze Melchizédek, noch zijn ouders enz. komt deze mysterieus over. Hij lijkt een goddelijk aureool te bezitten. Toch wil de schrijver daarop niet de nadruk leggen.

Uiteraard is Melchizédek priester van een andere orde dan degenen die van Aäron afstammen, het Levitisch priesterschap. Deze Levieten mogen van hun volksgenoten tienden afnemen, maar als Abraham wordt gezegend door Melchizédek, geeft de vader van alle gelovigen tienden aan deze Mechizédek zodat de Levieten dat in concreto ook doen. Abrahams keuze en actie raakt daadwerkelijk de Levieten en zij staan op dezelfde grond als hun stamvader. Bijv. in Rm. 5,12 f.f. huldigt Paulus hetzelfde principe, het solidariteitsbeginsel. Doordat de koning van Salem Abraham mag zegenen, wordt hij boven Abraham uitgetild. Wie meer is zegent wie minder is.

Hb. 7,10-14. De uitdrukking minder = meer past heel goed in datgene dat de schrijver wil verduidelijken. Als de Levieten dus volgens dit solidariteitsbeginsel tienden aan Melchizédek geven wil dat uitbeelden dat Melchizédek en zijn priesterschap dus boven het Levitisch priesterschap zijn verheven en dus van een andere orde zijn als dat van Aäron en zijn opvolgers. Deze laatste opmerking gebruikt de schrijver van de brief om Jezus en zijn eeuwig priesterschap verder vorm te geven.

Allereerst mag de schrijver de conclusie verder zetten, want Christus stamt af van Juda en niet van Aäron. Goed, maar wat is nu de toepassing voor de lezers nu? De zegen die in de gemeente wordt uitgesproken door de voorganger luidt: De Heer zegent u en behoedt u, de Heer doet zijn aangezicht over u oplichten, de Heer verheft zijn aangezicht over u en geeft u zijn vrede. Christus als hogepriester naar de orde van Melchizédek legt deze zegen op ons. Een eeuwige zegen een afdoende en bemoedigende zegen.

Vers 11,12 slaan een brug naar Jezus en zijn priesterschap. Duidelijk is al dat dit ceremoniële priesterschap het volk de wet heeft gegeven, maar om het volle heil te bereiken is er een ander priesterschap nodig. Jezus stamt niet van Aäron af, maar van Juda. David dus zal er een andere ordening moeten komen die Jezus het recht geeft hogepriester te worden. God heeft een doel met het priesterschap en de wet en de ceremoniën hebben hun tijd gehad en zijn niet bij machte gebleken dat doel te bereiken. Het doel van het priesterschap is het brengen van de volmaaktheid en een priesterschap gerund door mensen is niet in staat deze volmaaktheid te realiseren. De wet heeft niet dat volmaakte kunnen brengen, het gaat (zie Hb. 2,10) om het volle heil. Het priesterschap gerund door mensen kan de mens niet rein en rechtvaardig voor God stellen. Melichizédek verdwijnt weer spoedig uit beeld. Hij is alleen de aanleiding die de schrijver gebruikt om zijn punt duidelijk te maken!

In Rm. 7 laat Paulus zien dat de wet alleen frustratie brengt als deze wordt gebruikt om de volmaaktheid te bereiken. De Joodse gelovigen hebben erg veel moeite om te aanvaarden dat de orde van Aäron zijn tijd, functie heeft gehad en dat het offer van de Zoon van God deze tijd van ceremoniën afsluit. Het draait in de kern van de zaak om de wet van het geloof (Rm. 3, 27f.). Een misverstand is echter de scheiding van wet en evangelie als twee afzonderlijk eenheden. Het is eerder zo dat het evangelie de wet vervult, want het NT laat zien dat Jezus alles heeft vervuld wat het OT heeft laten zien (Lk. 24, 25-27). Jezus is een hogepriester zonder zonde en Hij offert zichzelf (1 Pt. 3,18) als rechtvaardige voor onrechtvaardigen.

Een priesterschap dat samengaat met de wet heeft het volmaakte niet gebracht en daar gaat het in concreto om. Stefanus wordt in Hd. 7 gestenigd omdat hij deze verandering heeft aangekondigd; zie ook Filipp.3, 9-13; Ps. 110. Vers 13-14 laat zien dat Mozes niets heeft laten weten over een veranderde afstamming van het priesterschap en dat Juda als de koningsstam pas in beeld komt als David koning wordt nadat Saul en zijn koningschap volledig is mislukt. Christus en zijn priesterschap zijn niet geënt op de ceremoniële wetgeving (zie Rm, 3,21).

Hb. 7,15-19 Melchizédek is als type van Christus, een zwakke voorafschaduwing. Hij is en blijft mens. Het ontbreken van de namen van zijn ouders en zijn geslachtsregister, wordt door de schrijver gebruikt (dit is al uitgelegd) als een typering van het eeuwig priesterschap van onze Heiland die hogepriester is in dezelfde orde. Melchizédek als koning van Salem is de laatste vertegenwoordiger van het universele heil. God gebruikt Abraham, Israël als bruggenhoofd en middel om de Christus als mens te Bethlehem mens geboren te laten worden.

Door het ontbreken van zijn afstamming is Mechizédek een type van het eeuwig priesterschap en koningschap van de Meester. Hij is na opstanding en hemelvaart, stelt Petrus, verhoogd aan de Rechterhand van God zelf en hij heerst tot al zijn vijanden als voetbank voor Hem fungeren. In het hemels heiligdom (Hb. 9) is de Heiland als hogepriester het heiligdom in de hemel binnengegaan en heeft hij een eeuwige verzoening tot stand gebracht. Later meer hierover. Het citaat in Hb. 7,17 van Ps.110, 4 sluit de aanwezigheid van Melchizédek in de brief af.

Alle aandacht gaat uit naar Jezus en zijn werk, als hogepriester nu is Jezus altijd bezig voor hen die het heil beërven. Christus is gekruisigd uit zwakheid, maar opgestaan in de kracht van God. Holwerda vertaalt Hb. 7, 18. 19 als volgt: “Daarmee wordt de vroegere bepaling ongeldig gemaakt, omdat zij zwak was en niet baatte – die priesterwet heeft immers het gestelde doel op geen enkel opzicht bereikt – maar er komt iets voor in de plaats dat een betere uitkomst doet verwachten: een situatie waarin we tot God kunnen naderen.”

De vroegere bepaling was behept met zwakte, krachteloos (Rm. 8,3); zie Hb. 13,9 geen baat hebben bij spijswetten. Het gaat om een uitkomst die beter is, een open weg naar het Vaderhart van God. De wet heeft haar doel tot volmaaktheid niet bereikt. Dat is niet de schuld van de wet, maar deze is zwak door menselijk ‘vlees’. In het OT naderen priesters tot God bij het reukofferaltaar. Op de grote verzoendag komt de hogepriester één keer per jaar, om verzoening te doen, in het heiligdom waar de ark staat. Dit komt nog aan de orde. Jezus is onze eeuwige hogepriester en dit geeft de gemeente een grondrecht. Deze mag naderen tot de Vader langs een levende en vers weg in het heiligdom in de hemel. Paulus schrijft de gemeente te Efeze dat hun wandel zich in de hemel mag afspelen. Er is een relatie mogelijk tussen de Vader, Jezus en de gelovige. Er is zekerheid dat een ieder die geloofd het eeuwige leven heeft (Jn. 17,3).

Hb. 7,20-22. In het OT worden priesters benoemd zonder een dat daar een eed bij nodig is.
Jezus is door God ingezworen (Hb. 5,6; 6,20; 7,17 en Ps, 110,4). Er staat: De Here heeft gezworen en dat houdt in dat Hij er nooit meer op terug komt (zie Gen. 22, 16-18 en Hb. 6, 17,18). Jezus is borg geworden van een beter verbond (zie Hb. 9,16). God heeft een eed gezworen en geeft daarmee eeuwige garantie aan de gelovige. Dit verbond wordt door het werk van Christus nooit meer verbroken, want het kan de eeuwigheid mee. De apostel Pauls schrijft in een van zijn brieven dat de wet een tijdelijke functie heeft gehad als opvoeder en dat er nu betere dingen zijn. Het gaat nogmaals om zegen van het heilswerk van Christus dat door Gods eigen eed garantie geeft voor eeuwig, een garantie die de eeuwigheid mee kan.

Nu beste lezers, begrijpt u nu de kracht van de wedergeboorte en de inwoning van de Heilige Geest en wordt u voorzichtig om deze Geest niet door zonde te bedroeven c.q. uit te doven. Geen wonder dat Paulus zegt: verblijdt u altijd ik zeg het nog maar eens opnieuw, want de Here is nabij. De Here heeft in de gelovige woning gemaakt door de Heilige Geest. Deze gelovige is een tempel geworden van de Heilige Geest. Hoop doet leven en daarbovenop verzekert het vers uit de andere brief (Filippenzen) de gelovige daarnaast dat Hij spoedig komt. Het heil wordt voltooid, er komt een volmaakt eeuwigheid en duurt echt niet langer meer!

Hb. 7,23-28. Komt in de komende studie breder aan de orde en wordt de Bijbelstudie met deze verzen begonnen. Er staat heel veel in. De zelfopoffering van Christus t.b.v. kinderen is het kenmerk van zijn heilswerk (Mk. 10,45). Er is een leven nodig om deze hogespriester in al zijn volmaakte eigen schappen te leren kennen.

Voor nu dan even tot later, en dat is al weer volgend jaar. De tijd gaat snel. Gods zegen en tot dan – Groet, drs. A. ten Napel, november 2021.