Hebreën 3, 6(7)-19.

0
204

Inleiding.

De vorige keer zijn we geëindigd met een vermaning. We worden opgeroepen om de hoop en de roem erop vrijmoedig vast te houden. In Hb. 3, 1 wijst de schrijver op de hemelse roeping van de gemeente en wijst al op onze hemelse Hogepriester. Jezus hoger dan Mozes. Hij ontvangt meer eer van zijn bouwwerk, de gemeente, van zijn Vader dan Mozes welke de tabernakel naar hemels voorbeeld heeft gebouwd. De schrijver van de brief zegt hier dat gemeente bestaat uit hemelburgers, zoals Paulus dit in zijn brieven al heeft uitgelegd.
In dit licht mag de levende hoop worden vast gehouden de hoop die wij uiteindelijk zullen zien als het Nieuwe Jeruzalem want de gemeente is als vrouw van Christus niets meer en niets minder dan dat nieuwe Jeruzalem.

Hb. 3, 7-11.
Aansluitend bij vers 1-6 toont de schrijver de ongelovige en ongehoorzame houding van Israël t.o.v. Mozes’ woorden tijdens de woestijnreis welke God hem heeft doorgegeven. Zij verspelen hun ingang in de rust, de intocht in het beloofde land!
Holwerda vertaalt deze verzen als volgt:
Nu zegt de Heilige Geest: “Wanneer jullie vandaag zijn stem horen, sluit je harten daar dan niet vooraf, zoals in de verbittering. Op de dag van de uitdaging in de woestijn. Daar daagden jullie vaderen Mij uit: ze wilden wel een zien wat zij aan Mij hadden. En hoewel ze het zagen, wat Ik deed veertig jaar lang. Daarom werd Ik boos op dat geslacht. Ik zei altijd zijn zij geneigd de verkeerde kant op te gaan, en de richting die Ik wijs, daar wilden zij niet van weten. Ik heb dan ook in Mijn woede gezworen: In het land waar Ik ga rusten, zullen zij niet komen.” (Ps. 95, 7-11).

De schrijver baseert zich op Ps. 95 en dan valt gelijk iets op: De Heilige Geest spreekt. Hij laat levende woorden horen. Mozes heeft trouw en zorgvuldig Gods Woord doorgegeven, maar nu hoort/horen de Jeruzalem-gemeente en ook wij deze woorden rechtstreeks!
Even een observatie: zeker weten kan ik dit niet maar ik vermoed dat de schrijver de Jeruzalem gemeente aanschrijft na de dood van Jakobus hun grote leider de broer van Christus. Hij is rond 62 n. Chr, vermoord door het Sanhedrin. Ik wijs even op een paar verzen uit Hb. 13,7. 17 waar gehoorzaamheid aan de voorgangers wordt gevraag en tegelijkertijd wordt gewezen op hun einde als voorbeeldfunctie. Een vraag en een vermoeden: heeft de schrijver de twee getuigen gekend? Hier is natuurlijk een vroege datum van het boek Openbaring voor nodig; verder dan een vermoeden kom ik niet! Trouwens deze discussie zet ik hier niet verder!

De Jeruzalem gemeente loopt hetzelfde gevaar om hun toekomstige rust te verspelen. De schrijver lijkt te citeren, uit de Griekse tekst, maar de namen Massa en Meriba uit Ps. 95 worden met verbittering/verzoeking en of uitdaging weergegeven. Vanaf de grondlegging van de wereld (Hb. 4, 3 de uittocht uittocht uit Egypte) heeft het volk in de woestijn Gods wonderen, verzorging enz. gezien en zijn leiding en bescherming ervaren. In Hb. 4, 7 komt de schrijver terug op Ps. 95, een Psalm waarschijnlijk uit de tijd van koning David; dus zijn koningschap heeft niet de echte rust gebracht. Er is nog een rust in te wachten en ook Jozua heeft hen dus niet in de echte rust gebracht.
Toch heeft het volk God in de 40 jaar die de reis door woestijn heeft geduurd, God verbittert. Deze hele lange woestijnreis staat eigenlijk model voor een leven dat God niet echt vertrouwt; na de terugkomst van de verspieders (10 en 2) zijn er 10 kritisch en ongelovig en maar twee volgen een houding van geloof en vertrouwen. Het merendeel sterft in de woestijn. Deze uitkomst geeft het doel van de vermaning aan. Doe dit niet, laat dit voorbeeld u waarschuwen en keer niet terug naar een schaduwdienst. Geeft u vrijmoedigheid als hemelburger niet weg!
De Jeruzalem gemeente lijkt sterk te zijn afgegleden (zie Hb. 6, 11-14 we komen er nog op).
Het niet luisteren naar Gods stem, Hem op de proef stellen, Hem a.h.w. uitproberen, werkt de verharding in de hand. Wanneer de verspieders hun bevindingen hebben doorgegeven, wil men terug, men gaat terug en sterft in de woestijn. Vergelijk ook het smeekgebed van Mozes na de zonde met het gouden kalf, hij weet ternauwernood Gods toorn af te wenden.
De Jeruzalem gemeente loopt hetzelfde gevaar, toch bemoedigt de schrijver hen in Hb. 6 met de woorden dat God hun strijd en moeite en volharding uit het verleden niet vergeet.

Nu de Heilige Geest spreekt en horen wij dit spreken wel. Geeft uw vrijmoedigheid niet prijs.
Blijf zien op het feit dat u een hemelburger bent. Leef uit deze status want u staat in de genade (Rm. 5, 1-3). Wij kunnen ons Christenleven zelf niet leven, wij mogen het vanuit een geloofsstatus en een geloofgehoorzaamheid als hemelburger leven! Wij hebben deel aan Christus.
God heeft in het verleden gezworen dat Israël op weg naar Kanaän nooit deze rust bereiken zal; zij konden niet ingaan door ongeloof. Verschrikkelijk want hier wordt bedoeld het totaal ontbreken van
geloof.

Hb. 3, 12-15
Mijn beste lezers merkt u dat er in vers 15 nog een keer een beroep wordt gedaan op de woorden van Psalm 95. Heden als u Zijn stem hoort…verhardt uw hart niet zoals uw volksgenoten vroeger deden bij Massa en Meriba, hier genoemd de verbittering enz. Ik heb zelf het gevoel dat het volk tijdens de verbittering teleurgesteld is in God, in zijn leiding en zijn in zijn gaven. Men is enthousiast vertrokken maar dit enthousiasme krijgt door tegenslag, watergebrek spoedig een knauw. Holwerda wijst op het totaal van de woestijnreis en als de verspieders met hun nieuws terugkomen is het gedaan met de hoop welke het volk gaandeweg heeft verloren. Nu dit proces is ook toepasbaar op de gemeente in Jeruzalem welke doodmoe is van vervolging beroving en lijden; Hb. 6, 10-12; 32.36. De hele brief ademt de verleiding uit om in vredesnaam maar weer terug te gaan naar het Jodendom; Jakobus heeft deze gemeente al Joods ingericht; zie Hd. 21, 20. Wellicht is zijn leiding weggevallen door zijn dood als martelaar, en is de gemeente in verwarring.
Hoewel het hard klinkt kan men dus afvallig worden van de levende God, de reden is een verdorven hart vol ongeloof. Het gaat in deze oproep niet om totale afval, maar de oproep om op te letten blijft steeds actueel. Ook in de toekomst blijft dit gevaar bestaan. De opstand van Mirjam begint bij haar zelf en ze wordt jaloers op haar broer Mozes. De opstand van de verspieders begint bij een paar en dan wordt deze afval een soort olievlek die steeds verder om zich heen grijpt. Het afvallig worden heeft een achtergrond vanuit het OT (zie Num. 14, 30-36) en het uiteindelijke resultaat wordt duidelijk uit Hb. 6, 4-6. Heden als u zijn stem hoort, legt ook een lijn naar Hb. 10, 25.37. De gemeente ziet de grote dag naderen. Nog een korte tijd en Hij die komt zal komen en niet uitblijven.
Ik geloof trouwen dat hier het komen van de Meester met het oordeel over Jeruzalem wordt aangewezen en wijs op Mt. 10, 23 en 16, 28. Wellicht ten overvloede ik geloof echt in een zichtbare komst van Christus op de laatste dag; voor de rest laat ik deze discussie rusten. Hoewel even dit tijdens de Joodse oorlog is er geen verslag dat Christenen in Jeruzalem zijn omgekomen, zij zijn n.a.v. Jezus woorden tijdig Jeruzalem ontvlucht.

De gemeente heeft deel gekregen aan Christus, wij zijn met hem beste vrienden gekruisigd, begraven en opgestaan tot nieuw leven. Hij (Christus) is de eerste van vele broers die de dood heeft overwonnen. Wij zijn een nieuwe schepping en hebben eeuwig leven.
Weet u deze beloften zijn op zich waar, zij werken, zij zijn toepasbaar in ons leven maar zijn geen automatismen. Achterover leunen is er niet bij, steeds geldt de oproep om actief te geloven.

U zult wellicht zeggen geloof is een gave, mijn antwoord is gelukkig wel, zelf fabriceren van geloof kan ik niet, maar geloof is ook actief gehoorzamen om bewust Gods weg te gaan.
De Israëlieten, zijn inderdaad na de doortocht door de Rode zee, goed begonnen, maar hun latere gedrag aan de grens met Kanaän (de eerste keer) steekt daar schril bij af.
Beste lezers wij zijn echt geen haar beter hoor. Ik kan mij herinneren toen ik tot geloof kwam, ik was 21 en ben ik over de 70, kon de wereld niet meer stuk. Ik was gered, wedergeboren ik had het eeuwige leven. Maar de terugslag is echt gekomen en het is te danken aan goede begeleiding, dat ik daar doorheen ben gekomen en er nu nog doorheen kom. Christelijk leven is gewoon een strijd en wij dienen de hoop en de vaste grond stevig vast te houden. Wij zijn tot hinken en tot zinken bereid heb ik wel eens een oudere broeder of zuster horen zeggen.

Een leven in de heiliging beste broers en zussen, een leven in gehoorzaamheid en dicht bij God en zijn woord blijven is het devies Ja maar hoor ik vragen kan een Christen dan nog verloren gaan want als dit allemaal lees is de mogelijkheid levensgroot aanwezig. Beste vrienden ik kom op deze vraag echt terug wanneer Hebreeën 6 aan de beurt is.
Ik denk als ik deze vraag hoor aan een Bijbelstudie uit mijn koffiebar tijd. Wij gingen vaak met vakantie met een boot en evangeliseerden in de plaatsen waar we aanlegden. De leider gaven ook Bijbelstudie en toen kwam dit probleem ook bovendrijven. Ook hij moest deze vraag beantwoorden en hij heeft het volgende antwoord gegeven: Een Christen kan wel verloren gaan maar gaat niet verloren en bij deze paradox laat ik het voor deze keer.

Hb. 3, 16-19
Een paar woorden want ik pakt deze tekst samen met de verzen uit Hebreeën 4
De kern van het vorige hoofdstuk is dat het volk in eerste instantie Kanaän niet heeft bereikt door hun ongelovige houding. Jozua en Kaleb laten wel zien dat het anders kan maar wordt vervolgd.

Drs. A. ten Napel januari 2021