Hebreën 4, 1-13

0
158

Inleiding.

Hb. 3, 16-19 Hier mag nog even op worden terug gekomen; zie vorige studie.
Holwerda geeft een vertaling die afwijkt van de Herz. SV. Deze vertaling is duidelijker.
” …wie waren het dan die, ondanks het ‘horen(van zijn stem)’, Hem ‘verbitterden’? Toch al die mensen die onder Mozes geleide uit Egypte waren getrokken? En op wie ‘werd God boos veertig jaar’? Toch op hen die gezondigd hadden en dood neervielen in de woestijn? En aan wie anders ‘zwoer Hij, dat zij niet zouden komen in het land waar Hij ging rusten’ dan aan hen die ongehoorzaam waren geweest? Zo zien we maar, dat zij niet hebben kunnen ingaan om hun ongeloof!

De schrijver gebruikt Dt.31,27; 32,16 als achtergrond voor deze woorden. Mozes wijst in deze verzen op het gedrag van het volk tijdens de woestijnreis, inclusief veertig jaar rondtrekken na ongeloof als de 12 verspieders terugkomen. Het volk dat uit Egypte is bevrijd, heeft het beloofde land nooit bereikt, allen van 21 jaar en ouder zijn gestorven in de woestijn! God heeft een afkeer van mensen die zondigen (Hb.3, 13) en de Here doelt hier op de zonde van ongeloof. In Kanaän is de rust beloofd maar die rust is door velen nooit bereikt. Ongehoorzaamheid is nooit de schuld van God maar is een menselijke zonde (ontrouw en ongeloof is gewoon zonde) lees maar eens 1 Cor. 10, 1.5. Israël gaat Kanaän niet binnen, men kan het land niet binnengaan vanwege een morele onmogelijkheid.

Hb. 4, 1-6

De verzen die nu aan de orde zijn borduren op dit thema verder.
De toepassing voor de gemeente volgt, de preek wordt op pastorale manier toegepast op de hoorders! De schrijver van de brief keert in gedachten terug naar de geschiedenis van de twaalf verspieders. U kent dat liedje toch nog wel? Tien verspieders waren slecht door ongeloof en twee goed want deze geloofden de beloften van God de Here.
Jozua en Kaleb roepen het volk op om te blijven geloven, maar het volk blijft achter door ongeloof. In Hb. 4, 2 staat een uitdrukking die de aandacht vraagt: Het gepredikte woord bracht hen geen voordeel daar het niet daar het niet met geloof vermengd is. Gaat het hierom de gehoorde boodschap die niet nuttig is omdat deze niet wordt geloofd? Het Griekse woord “vermengen” wordt vaak gebruikt in de betekenis van “erbij horen”, het gaat hier niet om het Woord op zich, daar is niets mis mee. Integendeel het gaat hier om personen die door ongeloof de boot missen!
In Hb. 4, 3.4 gaat het om de uitdrukking vanaf de grondlegging der wereld. Deze uitdrukking komt voor in het boek Openbaring en in het Nieuwe Testament. U mag als u wilt de volgende teksten nalopen: Mt. 13, 35; 25, 34; Lk.11,50; Jn. 17,24; Efeze 1,4; Hb.4, 3; 9.26; 1Pt 1,20; Opb. 13, 8; 17, 8.
Het gaat in deze studie om deze uitdrukking. De twee verzen in Openbaring brengen die in verband met de inhoud van het boek des levens. Dit boek geeft een opsomming van alle burgers van het Nieuwe Jeruzalem. Wanneer is de Here met dit boek begonnen? Openbaring 13,8 en 17, 8 noemen dit boek, het boek van het Lam dat is geslacht vanaf de grondlegging van de wereld. Even een opmerking er tussen door, Efeze 1, 4 wijst op de term ‘voor de grondlegging’ der wereld maar spreekt deze opmerking de verzen uit Openbaring tegen?
Nee dat hoeft niet, want de Here is begonnen dit boek samen te stellen toen het eerste paaslam is geslacht. Het draait in deze uitdrukking om de uittocht van Egypte. Hb. 4, 3 wijst op dit begin.
Deze uitleg wordt verder ondersteund met Hb. 3,9.10. 9, 26. Jezus is het ware Paaslam en er hoeft niet meer geofferd te worden.
Nu toch nog even Efeze 1, 3.4 waar wordt gesproken over de uitverkiezing voor de grondlegging van de wereld. In Efeze 1, 3-14 wordt gewezen op geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten die ons door Christus worden aangereikt. Wanneer we Efeze 1, 4 lezen met de inhoud van uitdrukking, de grondlegging der wereld, zoals deze is uitgelegd, dan zegt de tekst dat Christus eveneens mensen redt die voor de uittocht uit Egypte al gelovig waren. Rm.5, 12.13 doet hetzelfde met de uitspraak, voor de wet was er zonde in wereld. Adam, Noach en Abraham zijn toch behouden en Abraham wordt als dusdanig in Lk. 16, 22.23 aangewezen!
Een vaststaand raadsbesluit hoeft hier niet te worden ingelezen!

Wanneer dit allemaal is behandeld, is de toepassing verder simpel.
Ook wij worden opgeroepen te volharden in het geloof. Hb. 6, 12 vermaant om niet traag te zijn in het navolgen. Niet achterblijven, de belofte geldt ook nu nog. Ons leven in geloof mag worden vergeleken met een woestijntocht naar het beloofde land en dit is voor ons het Nieuwe Jeruzalem.
Geloven wil zeggen gehoorzamen doen wat de Here zegt. De schrijver van de brief gaat nog even in op het missen van de rust en wijst op Ps. 95, 8-11. God heeft na het voltooien van de schepping gerust, maar omdat Hij deze rust ook zijn volk aanbiedt, blijft er nog een rust voor Gods volk over. Ook nu, is deze rust, bij wijze van spreken, nog beschikbaar. De voorwaarde is een gelovige levenswandel. Verharding is ongehoorzaamheid en ongeloof.
In de volgende verzen wordt dit verder uitgewerkt.

Hb. 4, 7-13 Het gaat in deze verzen om de sabbatsrust voor Gods volk.
De schrijver bouwt zijn argument op uit de volgorde waarop, de Bijbelschrijvers hebben geleefd.
Jozua heeft voor David geacteerd. David vermaant zijn lezers en ook ons, het hart niet verharden als Gods stem gehoord wordt. Heeft Jozua het volk dan niet in Kanaän gebracht en dus in de rust gebracht? Jazeker, maar waarom vermaant David in zijn Psalm om het hart dan niet te verharden en de rust te missen? Zijn volk en hijzelf wonen toch al in het beloofde land, wellicht schrijft David deze Psalm als hij al koning is. De schrijver van de Hebreeënbrief noemt David als schrijver hoewel dit er in het OT niet niet boven staat. David wijst hier echter op de eeuwig rust de enige echte sabbatsrust en die belofte staat nog steeds open. God heeft gerust van zijn scheppingswerk en deze sabbatsrust zou je de zevende dag kunnen noemen; een rust na gedane arbeid, sabbatismos, sabbatsrust. Calvijn noemt dit in zijn commentaar deel hebben aan de scheppingsrust van God.
Wie deze rust is binnengegaan rust van al zijn werken. Openbaring 14, 13 geeft het mooi weer.
Zalig de doden die in de Here sterven, zij mogen rusten van hun arbeid en hun werken, het loon voor deze werken, komt achter hen aan.

De oproep: Wees ijverig, volhardt in het geloof. Blijf gehoorzaam, blijf leerling en zorg er voor dat u niet achter blijft, wordt de toepassing van de studie.
Het Woord van God is levend en krachtig en scherper als een oorlogszwaard. Het is door dat Woord dat de Here ons be- en veroordeeld.
Het is om angstig van te worden, we zullen allemaal eens rekenschap moeten afleggen van al onze daden. Ja maar worden we hier dan niet doodmoe van? We hoeven de hemel toch niet te verdienen?
Hoe kan ik in eigen kracht de hemel bereiken; Paulus streeft naar de volmaaktheid en doet zijn uiterste best. Maar let even op Hb. 4, 10. Laten wij ons beijveren de rust binnen te gaan, dat is het wapen om niet ten val te komen, zoals Israël in de woestijn op weg naar het beloofde land.
Beste broeder/ zuster/ jongere lezer: Probeer het nu niet zelf. De rust in Kanaän fungeert als een soort schaduwdienst een beeld. Andrew Murray borduurt hier op verder. Deze rust, deze sabbatsrust, wekt ons op om toe te geven dat ons leven met Christus een genade leven is.
Niet ik maar Christus leeft in mij. Christus is na zijn kruisdood en opstanding als Koning naar de hemel gegaan en heeft alle macht in hemel en op aarde.
Wij als gelovigen worden uitgenodigd om binnen te gaan in het hemels heiligdom om Zijn rust binnen te treden.

Hebreeën 4, 14-16 dat de volgende keer aan de orde is, geeft de inleiding op het kernonderwerp van de Hebreeënbrief Deze tekst wijst op de Grote Hogepriester, Jezus, naar de orde van Melchizedek. Hij is de hemelen doorgegaan, Hij heeft als grote voorbeeld voor ons de goede belijdenis beleden en wij worden opgeroepen om ons vrijmoedig vast te klampen aan deze belijdenis. geef uw vrijmoedigheid niet prijs. Wij hebben geen strenge Hogepriester die er op uit is om ons te veroordelen. Integendeel Hij voelt mee met onze zwakheden, Hij heeft alle verzoekingen ondergaan die wij eveneens tijdens ons leven ervaren; hij heeft echter nooit gezondigd en is in alle verzoekingen staande gebleven. Matteüs 4 laat ons weten op welke manier, er staat geschreven.
Jezus zit op de troon van David en ga maar op audiëntie en vraag maar bijstand en hulp en barmhartigheid en genade.

Drs. A. ten Napel maart 2021