2-Door God getuchtigd Israël zoekt God niet

0
89
God zond profeten, zoals Amos en Jesaja, tot de Israëlieten (de mannen van Israëls 12 stammen) die hen wezen op de misdaden die ze deden. Toen ze dat negeerden zond God de Assyriërs die het tienstammenrijk begonnen in te nemen. Judah, het tweestammenrijk, zag dit gebeuren, maar zocht steun bij buitenlandse koningen en aanvankelijk vooral bij Egypte (Js 30:2). God had Judah door Jesaja laten weten dat al die koningen onbetrouwbaar waren en dat die steun onvoldoende zou blijken of helemaal uit zou blijven (30:3-7; 31:3). God gaat Judah dan ook tuchtigen door buitenlandse koninkrijken in de hoop dat ze God zal zoeken.

Lessen uit Jesaja – Les 2
Door Marco van Putten

Tijdens de Assyrische opmars vormen de koning van Aram en de koning van het tienstammenrijk een anti-Assyrische coalitie. Omdat Judah echter weigert zich bij hen aan te sluiten vallen ze hen in 734 v. Chr. aan (Js 7:1; 2 K 16:5). Jesaja profeteerde toen tot de pas aangestelde koning van Judah, Achaz (734-718 v. Chr.) en zei hem niet bezorgd te zijn. God zou niet toelaten dat de aanval op Judah succesvol zouden zijn (Js 7:7), maar Judah zou weer moeten leren op God te vertrouwen.

De jonge Achaz luisterde echter niet naar Jesaja, maar zocht steun bij Assyrië (2 K 16:7; 2 Kr 28:16). Hij had namelijk ook te maken met een bedreiging van zijn zuidelijke grondgebied door Edomieten en de Filistijnen (2 Kr 28:17-18). Aangezien Assyrië toch al van plan was om Aram en het tienstammenrijk een slag toe te brengen, gingen zij in op de hulpvraag van Achaz. Ze verjoegen Aram en het tienstammenrijk van Judese grondgebied.

Maar Assyrië bedreigde vervolgens ook Judah en dat was ook van Godswege (Js 8:8; 10:5-6; 2 Kr 28:20). De koning van Assyrië wist natuurlijk niet dat hij dit van God mocht doen (Js 10:7). Dat blijkt als hij zelfs God uitdaagt (Js 10:32). Daarom zou God later met die Assyrische arrogantie afrekenen (Js 27:1). De prijs die Judah moest betalen voor Assyrische hulp was dat Judah hun vazalkoninkrijk moest worden (2 K 16:8).

De bedoelde les van Gods tuchtiging ontging de Israëlieten volkomen. Noch de koning van het tienstammenrijk noch de koning van het tweestammenrijk zagen Gods les niet in. Die les was dat het voortbestaan van Israël (12 stammen) niet afhangt van de leiders, noch van het volk, maar van God (Js 31:4-5). Het is dan ook niet onbelangrijk dat van de vier Judese koningen genoemd in het openingsvers (Js 1:1) er maar twee, Achaz en Hizkia, een rol spelen in dit boek.

Achaz lijkt in de laatste jaren van zijn koningschap het regeren over te laten aan beambten, zoals Sebna. Deze Sebna bleek echter meer interesse voor zichzelf te hebben dan het volk (Js 22:15-16). Kroonprins Hizkia, een zoon van koning Achaz, die waarschijnlijk al vanaf 726 v. Chr. als mede-regent naast zijn vader optrad, lijkt zich wel de zaak van het tienstammenrijk aan te trekken (2 Kr 30:1, 11, 18). Maar ook hij haalt daaruit niet Gods les (Js 42:25). Ze volharden in hun afval van God en Jesaja profeteert daarom dat hen hetzelfde zal overkomen maar dan door de Babyloniërs (Js 5:26; 39:6).

In Jesaja’s profetieën komt de oproep aan het volk naar voren om de eigen verantwoordelijkheid op te pakken (27:5). Hij wijst daarbij herhaaldelijk op het juist naleven van Gods woord en vooral Zijn voorschriften (Torah) (Js 56:1). God is immers te vrezen (Js 8:13), God handelt immers Zelf naar de Torah (Js 28:17) en daarin is wijsheid (Js 28:26). Als Judah niet de Torah houdt, dan heeft dat, net als de tuchtiging van het tienstammenrijk, grote gevolgen (Js 8:20). Hen wordt de godsdienstigheid voorgehouden zoals God dit van hen verlangt, want door de Torah krijgt de Israëliet de juiste houding tot God (Js 30:15) en komen ze tot bekering (Js 31:6). Vooral het houden van de Sjabbat en het vasten krijgen aandacht (Js 56:2; 66:23).

Echter, de Torah navolging van Israël is een bespotting voor God. Niet alleen is hun hoofd en hart er niet bij (Js 1:13). Ze verzinnen er allerlei eigen godsdienstige regels bij die strijdig zijn met Gods werkelijkheid (Js 29:13). Zo verkrachten en vertreden ze de Torah. Zo worden een vastendag en Sjabbat tot werkdagen gemaakt en ze laten de werkdruk voor hun knechten juist op die dagen opvoeren (Js 58:3, 13). Door dit overtreden en verachten van de Torah hopen ze Gods toorn steeds verder op (Js 5:25; 42:24-25).

In een volgende les (aanstaande woensdag) wordt verder gegaan met de bestudering van het boek Jesaja.