4-Gods verhouding tot Israël

0
108
In Jesaja gaat het om Gods verhouding tot Israël. Die is consequent met Gods Eigenschappen, zoals liefde, recht en trouw, en wordt bepaald door de voorwaarden (de Torah) van het Verbond dat Hij met Israël sloot. In Jesaja’s tijd is Israël een natie met een koning, een regering en eigen land geworden. Maar wie als Israëliet was geboren behoorde toen niet tot zo maar een natie. Je behoorde tot Gods volk. Centraal stond daarbij de plaats van samenkomst in de eigen woonplaats. Daar werd over God geleerd en werd Hij geëerd. Deze plaats kreeg later de Griekse naam synagoge. Maar nog belangrijker voor de Israëlieten was de Tempel in Jeruzalem en de eredienst die daar werd uitgevoerd. In het binnenste Tempelhuis woonde God Zelf.

Lessen uit Jesaja – Les 4
Door Marco van Putten

Uit Gods verhouding tot Israël komt naar voren dat Zijn doel was Israël op te voeden en te zegenen, zodat ze konden leren Hem te kennen en te dienen. Hij verlangde dat in Israël sociale rechtvaardigheid zal heersen (Js 1:17). Daarmee zou getoond worden wat met de rituele eredienst beleden werd. Die twee, geloven en doen, zou gelijke tred moeten houden en elkaar bevestigen en zo versterken. God zoekt ware gelovigen (Js 51:1); mensen die Hem ernstig zoeken net zoals Hij dat doet. Door wie Hem zoekt zal Hij Zich laten vinden (Js 55:6) en zij ervaren dat God met hen is (Hebr Immanu-El) in het doen van Zijn wil.

Maar bij elke opvoeding hoort geregeld ook correctie, en soms zelfs tuchtiging en straffen. In Jesaja blijkt God in grote ernst om te gaan met Israël. Als zij van God afvallen en als de boosaardige natiën (de heidenen) gaan leven en daarin volharden, kan God uiteindelijk niets anders dan hen als Zijn volk ontheffen; de verbanningstraf. Die straf moet dan expliciet worden. Ze zouden uit hun Land worden weggejaagd en dat Land zou worden verwoest. Ze zouden verstrooid worden onder de heidenen en niet meer in staat zijn de Verbondsverplichtingen uit te oefenen. Ze zouden dan effectief niet langer Gods volk zijn. Dat is de centrale boodschap in Jesaja. Eerst als waarschuwing en uiteindelijk als aanzegging.

God had Israël echter als eeuwige natie geschapen (Js 44:7) en hen een plaats in Gods komende heil aangezegd. Daarom zou er ook een einde zijn aan de verbanning, waarna herstel zou volgen en een nieuw begin. Maar dat vereist geloofsvertrouwen. Het eeuwige bestaan van Israël als natie blijkt gegarandeerd door een kleine groep rechtvaardige Israëlieten die al ten tijde van Jesaja bestaat (Js 8:16) en waartoe Jesaja ook behoort. In Jesaja worden zij bemoedigend aangesproken, want ze worden betrokken bij Gods collectieve tuchtiging en uiteindelijke verbanning van Zijn volk, terwijl zij daarvan niet de reden zijn. De oordeelsprofetieën zijn dan ook niet tegen hen gericht, maar zij zuchten in Jesaja’s dagen onder de boosaardigheid van hun eigen volk (Js 24:7). Zij zien de ernst van de situatie in waarin hun volk verkeert en roepen tot God (Js 26:17). Het zou zelfs zo zijn dat de vervulling van Jesaja’s oordeelsprofetieën zo’n 100 jaar werd ‘uitgesteld’ zijn omwille van hen (Js 38:8). In andere lessen worden daar dieper op ingegaan.

De Schepping is wel onder satans macht en satan is de oorsprong van de weerspannige opstand tegen God en verergert dit. Toch kan het niet zo zijn dat Israëls afval van God alleen aan de satan te wijten is of dat hun afval van God gepland was, zoals sommigen denken. Dan zou de komst van de Messias beperkt blijven tot Israël. In Jesaja, maar ook in andere Bijbelboeken, worden zulke gedachten grondig verworpen. God voedde Israël op en zegende hen zodat vanuit Israël de hele mensheid God zou leren kennen (Js 2:2). Israëls trieste eigen keuze tot afval van God maakt dat Hij Zelf gaat doen wat Hij eigenlijk samen met Israël wilde doen; het uitwerken van Zijn herstel van de Schepping, waarvan de mensheid de bekroning is. Daartoe schept Hij Zelf uit de mensheid een nieuw volk van God (Js 55:5). Zo komt Israël, vernederd door de verbanning en tot jaloersheid gewekt door dat nieuwe volk van God, na lange tijd uiteindelijk tot erkenning gefaald te hebben. Dan zal Hij Israël tot Zich roepen en krijgen ze een nieuwe centrale plaats temidden van dat volk van God. Tot die centrale plaats had Hij Israël immers geschapen (Js 2:3). In een andere les zullen we dieper ingaan op wat Jesaja profeteert over deze toekomst van Israël en de natiën in het komende Koninkrijk van God.

In een volgende les wordt verder gegaan met de bestudering van het boek Jesaja.