6-Afval van God verergert ondanks waarschuwingen

0
87
Jesaja profeteerde tegen het volk (Js 1:4) en tot koningen. Echter, vanaf hoofdstuk 40 treedt een omslag op. Het was een reactie op de laconieke houding van koning Hizkia over Gods aanzegging van de ondergang van het huis van David (Js 39:8). Jesaja profeteert niet meer tot koning Hizkia. Als Manasse, Hizkia’s zoon, in 698 v. Chr. koning wordt blijkt deze boosaardiger dan de heidenen die God voor Israël uit had verdreven (2 K 21:2; 2 Kr 33:9). Hij weigerde, net als het volk, naar God te luisteren. Hij was een ‘populist’. Hij deed wat het volk graag wilde en liep op hen vooruit. Ook tot koning Manasse profeteert Jesaja niet.

Lessen uit Jesaja
Door Marco van Putten

Sommigen interpreteren deze omslag als ‘bewijs’ dat vanaf dat punt Jesaja niet meer de auteur is, maar door (een) andere(n) is geschreven. Dit negeert echter de logica van Gods afkeer van het koningshuis in verband met de profetie erover (Js 39:6-7). Zij onderkennen ook de chronologie in dit boek niet. Het negeren van de overheid door God moet namelijk als zeer ongunstig worden opgevat. De door God aangezegde verbanningstraf is onafwendbaar geworden. Van het Davidische koningshuis werd in Jesaja’s generatie niets meer verwacht. Het zegt ook iets over de groeiende sfeer van weerspannigheid tegen God in die tijd. Een sfeer die na de dood van Hizkia helemaal aan de oppervlakte kwam.

Jesaja’s profetieën gaan zich ook verscherpen (Js 49:2). Dit lijkt een verband te hebben met de toename van oppositie tegen vrome Israëlieten. Die richtte zich vooral tegen Gods profeten. Jesaja vraagt God op zijn hoge leeftijd of zijn profetenwerk wel zin heeft, omdat de hoop op de komst van een messiaanse koning sterk afneemt (Js 49:4). God antwoordt hem niet op zichzelf te zien, maar op zijn roeping (Js 49:6). Jesaja zegt dat hij vervolgt, bespot en geslagen wordt omdat zijn profetieën van God komen (Js 50:4-6). Hij lijdt dus onschuldig, maar God zal zijn oordeelsprofetieën bevestigen en vervullen! Deze kwade generatie zal vergaan en God zal het laatste woord hebben (Js 50:9). Jesaja roept zijn toehoorders op God te vrezen, want hij is Gods dienstknecht in een donkere wereld (Js 9:2; 50:10) en het vooruitzicht is heel zorgelijk.

De meeste christenen kunnen deze profetieën (m.n. Js 49-50) alleen toepassen op het lijden van de Here Jezus. Ze zien het amper in verband met het lijden van toenmalige vrome gelovigen en profeten en hun martelaarschap zoals die van Jesaja. Zij lezen het Oude Testament (OT) bevooroordeeld in de lijn van het Nieuwe Testament (NT) dat grotendeels aandacht besteed aan het verklaren van de Here Jezus op basis van het OT. Er was immers aan Israëlieten wat uit te leggen over de Here Jezus. Waren Jesaja’s profetieën al moeilijk te verdragen. De Persoon van de Here Jezus en Zijn Evangelie brachten de schokkende apocalyptische OT-profetieën, zoals die van Jesaja, in de realiteit. Maar die karakteristiek van het NT was niet de boodschap van Jesaja aan zijn generatie. Ook staat zending onder Joden al eeuwen niet meer centraal in de christenheid. Christocentrisme is dus strijdig met de Bijbel. De Here Jezus trad immers, net als de profeten voor Hem, op als Profeet in Zijn tijd van Israëls geloofsafval (Js 9:2 (1); Mt 4:16), maar wel in een heel andere tijd en generatie dan die van Jesaja. Ook zijn veel profeten net als de Here Jezus vervolgt, bespot, gemarteld en ter dood gebracht. Ook na Hem gaat dat door. Ook leerde de Here Jezus hoofdzakelijk OT. In al deze zaken was Hij verre van uniek.

Veel belangrijker is te letten op Jesaja’s profetieën over Gods bijzondere herstel uit hun geloofsafval (Js 53). Die blijken wel uniek en eenmalig over de Here Jezus te gaan. Deze profetieën zijn onbegrijpelijk voor Israël. Er wordt geprofeteerd over een loot en een wortel in dorre grond (Js 53:2). Dat gaat buiten de Scheppingsorde om en dat wijst op een nieuw messiaans vooruitzicht. Ze gaan over Iemand die Israëls ziekten en smarten draagt (Js 53:4). Hij zal, net als Israëls profeten, worden vervolgd en verbrijzeld (Js 53:5), maar op Hem zullen neerkomen de tuchtiging en kneuzing die God voor Israël had bestemd én de misdaad van Israël (Js 53:5-6). Dit is Jesaja’s meest merkwaardige profetie. Dit is plaatsvervangend lijden en sterven. Een mensenoffer! Hij zal begraven worden onder de rijken (Js 53:9; Mt 27:57-60), maar toch een nalatenschap hebben (Js 53:8-10; Hnd 2:47). God aanvaarde Zijn offer en dat gaf aan velen Gods vergeving (Js 53:11-12; Mt 26:28). Het Evangelie in een notendop en volledig vervulde profetie. Zoiets vindt maar één keer plaatsvinden, want ze markeren het begin van het einde van Israëls afval van God. Echter, slechts nog maar een begin. De afval van God zou verergeren tot een punt waarop geen vergeving meer mogelijk zou zijn. De volheid van afval, waardoor Gods straf onvermijdelijk word.

In een volgende les wordt verder gegaan met de bestudering van het boek Jesaja.