7-Israël wordt verbannen en hun Land verwoest

0
107
Ondanks Gods herhaalde pogingen om Israël weer te laten zijn waartoe ze geroepen waren, moet gebeuren wat Hij hen had aangezegd; Hij verwerpt hen formeel (Js 22:14; Hos 1:9). Gods toorn was onverzoenlijk geworden en Hij moest recht doen. De hele Schepping ‘kijkt’ immers ook mee en Hij wil Zich kenbaar maken aan de hele mensheid. Sommige uitleggers denken echter dat God Israël definitief verwierp. Maar dat kan niet. Israël is namelijk een schepping van eeuwigheid (Js 44:7) en evenzo door God geliefd (Js 63:9). De hoogst mogelijke straf is daarom niet vernietiging maar verbanning vanuit Zijn Aangezicht (Js 5:13). Jesaja laat niet alleen weten dat die verbanning eindig is (Js 54:7), maar laat ook doorschemeren dat die verbanning niet tijdens zijn generatie komt, maar uitgesteld is (Js 39:6).

Lessen uit Jesaja
Door Marco van Putten

De verbanningsstraf bestaat uit: 1. Vernietiging van alles wat ze opgebouwd hadden in hun Land, waarvan de Tempel het dierbaarste was (Js 1:7; 6:11); 2. De dood van veel Israëlieten (Js 3:25); 3. Gevangen afvoeren van de overigen (Js 5:13; 49:25); 4. Slavernij in hun verbanningsoord (Js 51:23); 5. Hun Beloofde Land vernietigt, verwoest, verwaarloost en overwoekerd (Js 32:13; 34:14).

Vernietiging van Tempel & Land en Israëls verbanning betekent dat zij niet volledig meer de dienst aan God kunnen naleven. Volgens sommigen is dit het belangrijkste. Maar belangrijker is dat God het verbannen Israël buitensluit, negeert en verwaarloost. Het betekent echter niet dat God hen vergeet, niet meer in stand houdt of bewaart. Er kunnen dus tijdens de verbanning profeten optreden. Israël heeft volgens Jesaja immers een toekomst bij God na de verbanning.

Jesaja lijkt over één verbanning te profeteren. Wie nauwkeurig leest en de heilsgeschiedenis nagaat zal ontdekken dat hij over verschillende verbanningen profeteert. Namelijk eerst een verbanning naar Babylonië, die beëindigd werd door Koresj, koning van Perzië (Js 44:28; 45:13). Een laatste verbanning onder de natiën, die beëindigd wordt door de Messias (Js 9:7; 62:10-11). Dit betekent dus ook dat Jesaja’s profetieën meerdere geloofsafvallen van Israël beschrijven. Latere verbanningen zijn echter veel ernstiger en langduriger dan die naar Babylonië. Elke geloofsafval na de eerste verbanning is immers met voorkennis van de eerste afval en de verbanning naar Babylonië. Deze laatste verbanning wordt in de Bijbel ook wel de Verstrooiing (Gr Diaspora) genoemd (Dt 4:27; Js 49:21-23; Eze 5:12).

Tegenwoordig zijn er uitleggers die beweren dat de Diaspora geen straf van God is maar juist een zegen. Het zou een zelf gekozen verstrooiing zijn, die al dateert van voor de Babylonische ballingschap. Daardoor zouden heidenen juist van God hebben gehoord omdat Israël onder hen een licht zou zijn. Daar moet echter tegenin worden gebracht dat Israël al heel lang zich uitdrukkelijk van heidenen afzonderde. Juist op basis van hun godsdienst en om redenen van zelfbehoud. Het is pas sinds het sluiten van het Nieuwe Verbond door de Here Jezus dat God zending onder de heidenen bevolen heeft. Hoe moeilijk dat in Israël lag blijkt uit de hevige worsteling, verwarring en scheuringen die dit punt onder Zijn leerlingen ten gevolg had (Hnd 10:14; 15:5; Gal 2:14). Daarom onderhoudt God dit Nieuwe Verbond ook met een ander soort volk van God (Js 55:5; 65:1), hoewel ook vooreerst Israëlieten naast heidenen er leden van zijn en de basis ervan het verbond met het oude Israël is (Mt 5:17).

Het is waar dat zich al heel vroeg in de geschiedenis Israëlitische gemeenschappen hadden gevormd onder de natiën, zoals in de handelskoloniën – kustlanden – langs de Middellandse zee (Js 11:11; 49:1). Maar een vrijwillige Diaspora is wat anders dan een gedwongen verbanning van Godswege. Zelf kiezen om buiten het Beloofde Land te wonen in verband met werk of een beroep kan dus eigenlijk geen ‘verstrooiing’ genoemd worden. Verstrooiing verwijst immers naar de straf van God (Js 41:16; Eze 22:15). Deze uitleggers leggen dus een rookgordijn, dat noch recht doet aan de heilsgeschiedenis noch aan de Bijbel. Het is immers logisch dat afvallen van God collectieve gevolgen moet hebben voor Israël en niet beperkt kan blijven tot enkele gelovigen. Israëls collectieve roeping overstijgt immers de individuele. Deze valse uitleggingen tonen dat veel gelovigen worstelen met het feit dat God straft. Maar zelfs zij die Gods verbanningstraf erkennen willen daarin toch nog grote positieve voordelen zien. Zo zou bijvoorbeeld de vernietiging van de Tempel een zegen zijn. Dit zou gelovigen gedwongen hebben af te zien van de bloederige Tempeldienst zodat deze werd vervangen door offers van gebeden en goede werken. Maar ook dit is in tegenspraak met de profetieën over het herstel van een offerdienst in de nieuwe Tempel die na het einde van de laatste verbanning weer centraal zal staan in de godsdienst (Js 60:7, 13; 62:9; 66:20). Velen vatten die profetieën echter niet letterlijk op, maar als beeldspraak. De synagoge of de kerk zou tegenwoordig Gods Tempel zijn en ook de individuele gelovige. Dit doet geen recht aan het boek Jesaja, maar dat heeft een heel ongunstige dimmende werking op het grote licht wat er namelijk opgaat in Jesaja’s profetieën over hoe de verbanning beëindigd wordt.

In een volgende les wordt verder gegaan met de bestudering van het boek Jesaja.