Inleiding – De strijd van een gelovige met satan

0
253
Job is een moeilijk boek. Het onderwerp – een gelovige die kwaad ondergaat –, de schrijfstijl – wijsheidsliteratuur – en de spreekstijl van de personen – oud-oosters – vinden lezers lastig, langdradig en saai. Ook vertalers van het boek worstelden ermee, wat blijkt uit de grote verschillen in de vertalingen. Sommige vragen zich af waarom dit boek in de Bijbel is. Maar, waar gaat het boek over?

Door Marco van Putten

Auteur en tijd
In andere Bijbelboeken staat dat Job werkelijk heeft geleefd (b.v. Jacobus 5:11). God noemt hem de meest Godvrezende man op aarde (Job 1:8, 2:3) en hij wordt genoemd onder de profeten Noach en Daniël (Ezechiël 14:14). Over Abraham, Mozes of het volk Israël wordt in het boek Job niet gesproken en daarom denken velen dat dit boek het oudste is van de Bijbel. Job werd zeker 200 jaar oud (Job 42:16). Veel ouder dan de aartsvaders (Genesis 25:7; 35:28; 47:28). Hij woonde in het Midden-Oosten (Job 1:3).

Wie het boek schreef is onbekend. Rabbijnen houden het op Mozes en anderen koning Salomo. Echter, de schrijver moet een ooggetuige zijn geweest (b.v. Job 19:23-24). Gezien Jobs hoge leeftijd en positie is het niet ondenkbaar dat hij de schrijver is.

Inhoud en doel
Het boek gaat over een twist tussen God en satan, waarbij satan stelt dat mensen in God geloven op basis van ruilhandel; de heidense manier van leven. Voor dingen die de gelovige voor God doet ontvangt hij beloningen van God. Neem die beloningen weg en laat God hem lijden, dan valt hij van God af.
God ontkent dat en stelt satan voor de proef op de som te nemen met Job. Meteen verliest Job alles en wordt dodelijk ziek. Als paria zit hij aan de rand van zijn woonplaats bij de mesthopen.

Zijn Hebreeuwse naam ‘Iejov’ kan afgeleid zijn van het werkwoord ajav – vijand, en zo de inhoud van het boek bevestigen. Job klaagt immers dat God hem als vijand behandelt (Job 13:24), maar het is echter satan, de vijand van God.

Drie vrienden komen Job opzoeken.
Aanvankelijk om hem te troosten (Job 2:11), maar ze blijken een oordeel te hebben over zijn situatie. Jobs wijze woorden (1 Korintiërs 3:19) zijn van belang voor gelovigen in iedere tijd (Jacobus 5:11). Job is het vaak met zijn collega’s eens, maar verschilt van mening over het antwoord op zijn centrale vraag aan God; Waarom overkomt een rechtvaardige zonder reden kwaad? Hij dacht dat rechtvaardigheid kwaad zou afweren. Het antwoord van zijn collega’s is dat Job zich voordeed als rechtvaardige, maar in werkelijkheid boosaardig was.

Het boek toont dat kwaad ook van buiten de betroffen persoon kan komen. Kwaad overkomt alleen Gods volk (Job 21:7-13) en ook door satan en mensen tegen hen gebruikt. Dit inzicht was voor Jobs generatie onbekend.
Job volhardt in geloof en stelt zo satan in het ongelijk. God vraagt Job of hij God eerde in het dragen van het kwaad. Job ziet zijn falen in. Uiteindelijk herstelt God hem.