Profiel van een leider – deel 5 van 5

0
47
Als een geestelijk leider één taak heeft, dan is dat de verkondiging van Gods Woord.

Lezen: Efeziërs 5:22-33

Vers voor vandaag: “Laat ieder voor zich zijn eigen vrouw zo liefhebben als zichzelf en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man.” (Efeziërs 5:33)

Aan het begin van deze serie studies over een profielschets voor een christelijk werker (en eigenlijk voor ieder christen) hebben wij gezien dat 68% van de voorwaarden die Paulus in zijn brieven aan Timótheüs en Titus noemt te maken heeft met het persoonlijke, innerlijke leven van de leider. Verder heeft 26% van de voorwaarden te maken met zijn gezin, en maar 6% van de voorwaarden heeft direct te maken met zijn of haar bediening. De afgelopen dagen hebben wij stilgestaan bij 17 facetten met betrekking tot het persoonlijk leven van de leider. Vandaag ten slotte wat Paulus te zeggen heeft over het gezin van de leider en zijn werk.

Gezin
In de eerste plaats heeft Paulus het één en ander te zeggen over de vrouw van de leider (in onze tijd de partner van de leider). “Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles.” (1 Timótheüs 3:11) Je zou ook kunnen zeggen, het moeten goede mensen zijn, die op een wijze manier omgaan met hun positie en met datgene wat hun wordt toevertrouwd. De uiteindelijke bijbelse consequentie van het tegendeel is dat de leider in zijn partner gediskwalificeerd kan worden.
Ook over de kinderen van de leider heeft Paulus het één en ander te vertellen.
In de eerste plaats moeten christelijk werkers (en christenen) in staat zijn om hun kinderen ‘onder tucht’ te houden. En dat niet zomaar, maar met alle waardigheid (1 Timótheüs 3:4,5). Immers, hier geldt opnieuw: als mensen hun eigen ‘huis’ niet kunnen leiden, hoe zouden zij dan leiding kunnen geven in het ‘huis van God’. Daarnaast mogen die kinderen niet ‘in opspraak’ zijn (Titus 1:6). Dat wil zeggen dat hun levenswandel niet in tegenspraak mag zijn met het werk dat de christelijk werker doet. Ten slotte maakt Titus duidelijk (1:6) dat de kinderen ‘gelovig’ moeten zijn. Dat is een moeilijke uitspraak, omdat ook kinderen van geestelijk leiders door allerlei ‘groeifasen’ gaan waarin ze zelf hun weg met de Heer moeten vinden. Ik heb geleerd om heel mild met deze voorwaarde om te gaan, omdat puberteit en groei naar volwassenheid hierbij een belangrijke rol spelen.

Het werk
Nadat Paulus al deze woorden besteed heeft aan het persoonlijke leven van de christelijk werker en aan zijn gezin, heeft hij slechts twee opmerkingen over voor het werk dat de persoon moet doen. Eigenlijk is het maar één opmerking met twee aspecten.
Wat zijn die twee punten? Niet het leiden van vergaderingen, niet het werven van fondsen, niet het organiseren van allerlei evenementen (hoe belangrijk deze dingen ook kunnen zijn).
In Titus 1:9 schrijft Paulus: “Zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en tegensprekers te weerleggen.” Als een geestelijk leider één taak heeft, dan is het de verkondiging van Gods Woord als (1) opbouw van de gelovigen (vermanen) en (2) om hen die dwalen terecht te helpen.

Dat alles kan echter alleen wanneer de geestelijk leider (ieder christen) zelf bewust met de Heer leeft. Met die opmerking zijn wij weer aangeland bij datgene waarmee wij begonnen zijn. Christelijk werk is niet primair datgene wat je doet, maar wie en hoe je bent.

Toepassing: De voorwaarden van Paulus voor geestelijk leiderschap zijn gericht op (1) het persoonlijke leven (2) het gezin en (3) het werk. Begrijpt u waarom het eerste zo belangrijk is?

Gebed: Heer, dank U, dat U leiders geeft die oprecht proberen U en de mensen te dienen. Amen.

© Maximum Life