Romeinen 11, 1-12

0
27
Inleiding

Romeinen hoofdstuk 11 is een profetie van de apostel Paulus.
Om deze profetie te plaatsen mogen wij even teruggaan naar Mt. 21 en 22.
Mt. 21, 33-46 geeft de gelijkenis van de valse pachters. Deze dragen de pacht niet af en doden tenslotte de zoon van de eigenaar. Jezus past deze gelijkenis toe op het sanhedrin met de woorden: “Het koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.” De farizeeën en Schriftgeleerden weten dat zij bedoeld worden en daarom willen zij Jezus ombrengen. Mt. 22, 1-14 lijkt deze situatie erger te maken, want in de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal legt de Meester uit waarom de Joden hun uitverkiezing mislopen (zie Rm. 9, 1-4). Beste lezers dit is het laatste wat Jezus over Israël zegt: “Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren.” Waarom missen de Joden de verkiezing welk voor hen bestemd was? Zij negeerden de uitnodiging. Jezus verlaat tenslotte de tempel en het oordeel over Israël (Laat Zijn bloed maar komen over ons en onze kinderen) breekt los in 66-70 n. Chr. De Joodse oorlog de vernietiging van de tempel enz.

Hier stopt het m.b.t. de openbaring welke Jezus geeft. Paulus sluit profetische in Rm. 11 aan op dit open einde. Hij profeteert (Rm. 11, 25.26) over een herstel van het volk van God. In Rm. 11-1-13 bereid hij dit herstel voor. Romeinen 11 sluit het leerstellig deel van de Romeinenbrief af en dit hoofdstuk trekt de conclusie uit Rm. 9 en 10. Paulus heeft gesproken over het raadsel van Israël verharding, maar legt uit dat ongeloof heeft gezorgd voor deze verharding.
Dus nu de vraag heeft God zijn volk verstoten?

Rom. 11,1-5  

Het woord “verstoten, verwerpen, afwijzen”komt in het N.T. voor in de med.aor. in Hd. 7, 27.39; 13, 46; Rm. 11, 1.2 en 1 Tim. 1,19. De uitdrukking in Rm. 11, 1. 2 is belangrijk. De manier waarop de apostel de vraag stelt bergt in zich een ontkennend antwoord. “Heeft God zijn volk verstoten?” Paulus spreekt over het volk van God, Israël zoals hij dit volk heeft aangeduid in Rm. 9, 1-4. Verstoten nooit.
De apostel als vervolger van de gemeente is zelf het voorbeeld, hij, de grootste der zondaren is door God gebruikt om het evangelie te verkondigen.
Er zijn dus Joden die Christen zijn; God heeft zijn volk niet verstoten. Een Schriftwoord uit 1 Kon.19, 10.14.18 geeft een duidelijk bewijs. De klacht van de apostel lijkt op die van Elia: Ik en alleen als profeet overgebleven, Elia zit onder de boom, op de vlucht voor Izebel. Ik ben alleen overgebleven en ook mij willen ze doden is zijn klacht. Paulus heeft genoeg aanslagen meegemaakt en overleefd.
Elia hoort dat er door genade een afgezonderd/uitverkoren rest is die de knieën voor Baäl niet hebben geboren en zijn beeld niet hebben gekust. De Here vertelt hem dat er nog 7000 in Israël zijn overgebleven ten tijde van Achab en Izebel en dit getal lijkt een letterlijk getal.

Paulus is niet de enig overgebleven Christen en de gemeente in Rome weet dit ook; Rm. 16, 1-16 lijkt Joden als stichters van de gemeente aan te wijzen; Aquila en Priscilla (zie dr. J. van Bruggen “Het raadsel van Romeinen 16”). God is trouw laat deze minderheid zien, ook vandaag de dag.
Ook nu heeft Hij zijn gemeente niet verstoten, soms lijkt dit wel zo maar het is niet zo; de poorten van de hel zullen de gemeente niet overweldigen.

Gods belofte werkt dwars door al het ongeloof heen, De keuze van God voor zijn volk werkt door geloof zoals Rm. 9 en 10 tonen. Geloven is aannemen is kiezen. Geloof is genade, maar ook gehoorzaamheid. Israël is en blijft, het door God het gekozen volk, maar de verharding heeft plaats gevonden door ongeloof. Een ijver voor God zonder verstand zoals Paulus in het slot van Rm. 9 laat weten.
Wanneer het om werken zou gaan, is genade geen genade meer; zie ook voor dezelfde zinsconstructie Gl. 2,21.

Rom. 11, 6-12   Deze studie volgt de lezing van de N.B.G. De toevoeging van de S.V…..“Anders is werk geen werk meer.” lijkt een aanvulling een uitleg en niet bij het origineel te horen.
Deze woorden zijn het betoog van de apostel moeilijk te plaatsen; de benadrukking van het werkkarakter is al voldoende aan de orde gekomen.
Het zevende vers valt terug op datgene dat Paulus in Rm. 9, 30-33 zegt: het uitverkoren deel dat genade ontvangt, ontvangt dit, om dat zij door gehoorzaamheid en geloof laten zien dat Gods beloften blijven gelden.
Maar er is ook een deel verhard en hoe mag dit worden opgepakt. Alles wijst er op dat de apostel samenvat datgene dat Rm. 9, 2.3.6-8.21-33; 10, 2-4.16-21 al uitgebreid is behandeld.
De verharding van Farao kan als voorbeeld dienen. Gods uiteindelijke verharding van de Farao krijgt zijn beslag als deze lang en breed heeft besloten God niet te gehoorzamen en het dus het volk niet te laten trekken.
In vers 8-10 wijst Paulus op een serie verzen uit het OT. Jesaja29,10 (zie Jes. 6.9: Ez. 12, 2; Mk. 4, 12; Lk. 8, 10; Jn 12, 40; Hd. 28, 26) en Ps.69, 23.
Tijdens de tocht van Israël naar het beloofde land voert ongeloof de boventoon. Israël beseft niet dat al die woestijn-wonderen hen moet inspireren om te geloven; zie Dt. 29,1-4. De profeet Jesaja beschrijft dezelfde geestelijke blindheid in Jes. 29,9-16.
Verharding is een gevolg van geestelijke blindheid, tenslotte verdooft God de geest van de ongelovige, maakt de ogen blind en de oren doof.
In vers 10.11 schuift de apostel de vermaningen uit Ps. 69, 22.23 en 35, 8 in elkaar en duidelijk blijkt dat God deze verharding niet onbestraft laat; Jezus heeft dit al aangekondigd in Matteüs 21.22 de gelijkenissen en de Joodse oorlog heeft laten zien dat de verharding een prijs heeft. God straft daar het bloed van de apostelen en profeten aan de inwoners van Jeruzalem en Israël.

Merk op Paulus bidt in het bovenstaande niet om wraak, maar weet ook dat een verhard Israël geen Israël blijft; zie Rm. 9, 6. Hij schrijft vanuit de voorbede en zijn eigen hartzeer; zie Rm. 9,1-5; 10,1.
Heel duidelijk mag worden gesteld dat Israël toekomst die de apostel in het vervolg van dit hoofdstuk schetst samengaat met een geloof in en dus geen afwijzing van de Messias!
In Opb. 19, 6 f.f.f. En 21, 9 f.f.f.f. wordt gesproken over de bruiloft van het Lam, de bruid, het nieuw Jeruzalem= de gemeente. Om een schot voor de boeg te geven, Opb. 20, 4-6; Rm. 11, 15.25.26 en Ez. 37,3 lijken veel verband met elkaar te houden!  Wijst de zinsnede in Opb. 20, 4-6 op de bekering van Gods volk in het laatste der dagen?
Om op het vervolg vooruit te grijpen de volheid van de gemeente bestaat uit het feit dat Israël deze compleet maakt: zie Rm. 11, 25.26; de bruid van het Lam!
De apostel schrijft Israël niet af, trouwens dit is in Rm. 11, 5 al duidelijk gezegd, voor alle zekerheid wordt dit in Rm. 11,11 nog eens herhaald.
Door hun overtreding verhuist wel het heil naar de heidenen (zie Mt. 22, 1-14), maar het doel van deze verandering is dat Israël als volk jaloers wordt op die heidenen.
Velen uit het sanhedrin stemmen in met het oordeel over Jezus en dit levert de kruisdood op; ook nu nog geloven Israëlieten helaas in de leugen van het sanhedrin.
Hun val de verhuizing van het heil is geen actie die uit de lucht komt vallen maar een zelf gekozen overtreding; Israël grijpt door eigen schuld naast de verlossing

Kijk dan naar Gods genade beste lezer. In Handelingen 2 begint het evangelie in Jeruzalem; Petrus zegt zelfs “Ik weet dat u uit onwetendheid hebt gehandeld; zie Hd. 3, 17.18. God wil niet dat zijn
volk valt over Christus, Hij wil hen jaloers maken; dit Griekse woord drukt uit dat d.m.v. een aanstekelijk geloof dat heidenen laten zien, (later wij dit zien beste lezer!!!) Israël tot geloof komt.
In vers 11 gebruikt de apostel opnieuw het woord overtreding, merk op geen definitieve val, integendeel een misstap welke vergeven kan worden.
Dit woord overtreding staat tegenover de rijkdom voor de wereld, maar waarom dan?
Lees eens Rm. 1, 16.17 daar zegt de apostel het evangelie is eerst voor de Jood en dan voor de Griek. Paulus heeft zijn hele bediening op deze manier ingevuld. Altijd, zie bijv. Hd. 13, begint de apostel in de synagoge. Zelfs in Rome als gevangene (Hd. 28) is dit nog zijn werkwijze.
Nu lijkt de tekst te zeggen, dat de volgorde is omgedraaid; Israël, komt achteraan, het woord in de grondtekst betekend letterlijk “vermindering en daardoor nederlaag.” De S.V. vertaalt  “….en het feit dat zij achteropkomen….”
Dit achterop komen betekent rijkdom voor de heidenen. Maar zegt de Apostel als dit het geval is welke rijkdom betekent dan het feit dat Israël wel tot geloof komt?

In Romeinen 11, 15 zegt de apostel niets anders dan leven uit de doden.

Daarover praten wij de volgende keer.

Zegen drs. A. ten Napel Dec. 2018.