Romeinen 11-23-26a

0
28
We naderen de climax van het leerstellig onderwijs van de apostel Paulus in de Romeinenbrief.
Hij is begonnen in Rm. 1,18 en eindigt in Rm. 11, 32. Hij sluit het geheel af met een geweldige lofprijzing. In deze gedeelten heeft Paulus behandeld datgene dat hij heeft samengevat in Rm. 1, 16.17.
“Wat ik schaam mij niet voor het evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot behoud. Eerst voor de Jood en ook voor de Griek. De gerechtigheid wordt geopenbaard van geloof tot geloof; De rechtvaardige zal leven uit geloof.

Rm. 11, 23-24.

Wanneer, bij olijfbomen een wilde olijf geënt wordt op een tamme olijfstam mislukt doorgaans dit proces; de boom draagt weinig vruchten, wat bessen en daar blijft het bij. Andersom werkt het wel.
Toch beschrijft Paulus het enten van wilde takken op een tamme stam en er komen hoe tegennatuurlijk dit ook is, wel vruchten. Dit is de achtergrond van de vraag in vers 23; een van nature tamme olijftak, levert over het algemeen geen problemen als de stam olijf ook tam is.
Heidenen ( wilde takken) geënt een tamme olijfboom, heeft hoewel, dit tegen de natuur van de boom in is, de boom niet wild  gemaakt in tegendeel de takken (de gelovigen uit de heidenen) zijn tam geworden. De tekst stelt afgezet tegen deze achtergrond de vraag: “Kan God Israël herstellen?”
De apostel noemt de naam van Israël nog niet maar laat weten: als zij niet bij hun ongeloof blijven dan behoort opnieuw enten tot de mogelijkheden. God is machtig hen opnieuw te enten.

Een stukje toepassing: een geweldige mogelijkheid beste vrienden, maar het draait om geloof. Het draait om het afkeren van een houding van ongeloof en dus een houding van geloof als keuze te laten zien.

Welnu zegt de apostel als conclusie: Heidenen zijn geënt, tegennatuurlijk en daarom is een natuurlijke enting van tamme olijf op een een tamme stam voor God een peulenschil. Israël  zal zeker op zijn eigen stam worden terug gezet. Om nog even bij het beeld van de olijfboom te blijven, er liggen bij wijze van spreken tamme takken op de grond om de boom heen en wilde takken zijn geënt op de plaatsen waren de tamme takken eerst hun plek hadden! Wanneer het proces wordt omgedraaid lijkt het de zaak dat er dus weer ruimte moet worden gemaakt.

Rm. 11,25-26.

Een “musterion” een geheimenis, maar welke inhoud heeft dit geheimenis.
Het behoeft niet te gaan over de verharding van Israël, deze is vanuit het Oude en Nieuwe Testament voldoende getekend. Bij elke generatie Israëlieten zijn velen  steeds opstandig t.o.v. God; zie bijv. het boek Richteren, 1 Kon. 19,18; Jes. 1 en het boek Handelingen enz. In Het Oude Testament gaan zowel het rijk van de 10 stammen en dat van de 2 stammen tenslotte in Ballingschap; verdreven uit het land van de belofte zoals Mozes in Deuteronomium al heeft laten weten.
De verblinding van Israël is een bekend gegeven, het geheimenis laat weten dat er aan deze verblinding een einde komt.
2

Dan nu de inhoud van het geheimenis: Allereerst maar de opmerking over Rm. 11, 25 is veel geschreven. De apostel zegt: “Want ik wil niet broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs ben bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan; en zo zal heel Israël behouden worden.”
Paulus maakt de gemeente in Rome een geheimenis bekend en hij doet dit om hen te behoeden voor een eigenwijze hoogmoedige houding t.o.v. het (nog ) ongelovige Joodse volk.
Dit is nodig want de gemeente in Rome bestaat voor een (klein) deel uit Joden die de Messias hebben aangenomen; zij worden door de Joodse gemeenschap met argwaan bekeken.
Heidenen lopen het gevaar zich te verheffen en Israël te verachten, terwijl hun taak is hen jaloers te maken op hun geloof in de Joodse Messias.

Er is over deze tekst veel geschreven en ik wil twee schrijvers aan het woord laten. Een goed zicht op deze verzen heel belangrijk. Er is een uitleg  (zie Krelof Steven A. Gods plan met Israël, een studie over Romeinen 9-11 Zoeklicht Doorn 2001 p.127) welke toegeeft dat er in de tijd van Paulus Joden tot geloof komen maar dat Israëls verharding na de opname van de gemeente wordt opgeheven. Ik laat dit voor wat het is, vanuit de profetieën in Ezechiël 37 kan hoe dan ook worden gesteld dat Gods volk tot geloof komt, voordat Jezus komt.
Nu de tekst en er worden twee interpretaties langs gelopen; deze zijn tegengesteld.

Eerst ds. Tj Boersma (De Bijbel is geen Puzzelboek J.Boersma Enschede 1977. p. 57-60).
Het gaat om de korte uitdrukking “ totdat de volheid der volken is ingegaan”en “…en zo zal geheel Israël worden behouden.”  
Boersma vindt geen enkele grond in de tekst om toekomstig behoud voor het volk Israël te zien.
Hij vertaalt: “….totdat de volheid der heidenen is binnengegaan en aldus zal gans Israël behouden worden.” Hij wil niets weten van een verschuiving van het behoud van Israël naar de toekomst; Paulus is in Romeinen 11 bezig met datgene dat er gebeurt met Israël in zijn eigen tijd.
God heeft zijn volk volstrekt niet verstoten, Paulus zelf is het voorbeeld van het tegendeel en de apostel stelt zijn eigen bediening tot leidraad van de verdere uitleg. Paulus ziet door zijn arbeid veel heidenen tot geloof komen en op dezelfde wijze klopt God door zijn genade ook weer aan bij Zijn oude bondsvolk.
Ook Joden komen in de dagen van Paulus tot geloof, in de weg van de genade, als reactie op de bekering van de heidenen zal “gans Israël” behouden kunnen worden.
Gans Israël is niet meer dan een gelovige rest; de genade staat ook voor Israël nog steeds open.
Israël is in deze opvatting deel van de volheid van de volken en een aparte toekomst is er verder niet weg gelegd. Hij stelt: “Israël is in God heilsplan geen apart volk meer, het heeft geen speciale voorrechten meer. De rol van Israël is uitgespeeld.”

Nu de mening is duidelijk het gaat dus om de uitdrukking totdat de volheid der heiden/volken is binnen gegaan en aldus (gelijktijdig in als de tijd van genade nog daar is) hebben Israëlieten de kans Jezus te vinden.

Nu staat er dit? Holwerda ( De Schrift Opent een Vergezicht Voorhoeve Kampen 1998 p.p. 160f.f.f.) gaat een andere weg.
 Holwerda geeft een zeer volledige behandeling van de exegese waarin het voor mij onmogelijk is, deze in dit korte bestek recht te doen.
Hij merkt op dat de NBG vertaling de verzen 25b niet helemaal goed weergeeft. Deze vertaalt: “Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnen gaat.”
De zinsconstructie in gebruikt in Romeinen 11, 25.26 geeft eerder een volgorde aan dan een gelijktijdige handeling. Ik zou op twee verzen uit het NT willen wijzen waar dezelfde constructie wordt gebruikt. Sla maar eens op Hd. 20, 11. In dit vers wordt dezelfde uitdrukking gebruikt welke
3
Rm. 11, 26 wordt gebruikt (“kai houtos”/ “houtos”) Het lijkt priegelwerk maar nu moet dit even,  
want de betekenis van dit ene woordje geeft namelijk geen gelijktijdige handeling aan maar een volgorde van twee handelingen en/ of gebeurtenissen. Paulus is in Handelingen 20 niet broodetende naar boven gegaan, nadat hij de jongeling had opgewekt. Integendeel men heeft eerst samen de maaltijd gebruikt en is daarna (houtos) zo vertrok hij!  Wil nu opslaan 2 Thes. 4, 16.17?  Het gaat in deze verzen eveneens om een volgorde “… en zo alzo zullen wij altijd met de Here zijn.”
In deze verzen legt Paulus uit: Er klinkt een bevel van een aartsengel, hij roept de doden uit de graven, want  degene die in Christus zijn gestorven het eerst zullen opstaan. Daarna degene welke opdat tijdstip nog leven worden in een onderdeel van een seconde veranderd en alzo, zo, op die manier (houtos) zullen wij samen met de Here zijn. Duidelijk is ook hier dat er na elkaar drie handelingen plaats vinden voordat dit de zaak is.

Ik hoop dat duidelijk is geworden dat het woord “houtos” of “kai houtos”en al zo enz. in Rm. 11, 26 een volgorde van handelen aangeeft.
Het gaat in Rm. 11, 25.26 om de volgorde dat de gedeeltelijk verharding van Israël wordt opgeheven en dat dit gebeurd als het getal van de heidenen die het koninkrijk binnengaan vol is. Daarna zal gans Israël (wellicht ook een volheid) behouden worden.

Ik geloof dat voordat Jezus terug komt God zich gaat richten op het behoud van Zijn oude bondsvolk. Israël als volk zal de Messias ontmoeten; dit betekent trouwens niet dat elke Israëliet zalig wordt. Israël is op deze wijze een eindtijd teken en wijst nu al op de spoedige komst van Jezus. Volgende keer de rest van Romeinen 11.

Zegen en groet drs. Age ten Napel