Romeinen 14,1-11(12)

0
58
Rm. 14, 1- 15, 23 is eigenlijk één gedeelte en behandelt de verhouding tussen de ‘zwakken’en de ‘sterken.’ in de gemeente. De vermaningen richten zich voornamelijk op de sterken; zie ook 1 Cor. 8 en 1 Cor. 10, 23-33. De zwakken eten geen vlees het is onrein en het gaat soms ook om eten dat aan de afgoden is opgedragen. Zwakken menen dat men zich verontreinigd met het eten van dit vlees.

Zwak behoeft niet te wijzen op een kwakelend geloofsleven, Jakobus de broer van Christus zou in dit hoofdstuk bij de zwakken worden gerekend maar hij heeft een ijzersterk geloof. Petrus laat in Gl. 2 wel zwakte zien als hij uit vrees voor Joodse collega’s toch weer kosjer gaat tafelen. Zwakheid lijkt te vragen naar een andere insteek. De zwakke lijkt bescherming door regels te willen, het voelt veilig en men weet waar men aan toe is. De sterke heeft genoeg aan de belofte in Gl. 5,16: Wandel door de Geest dan volbrengt u dus niet de werken van het vlees!
De mening van de apostel Paulus is,  alles wat bij de slager ligt mag je eten, maar als je twijfelt doe dan niet, niet uit vrees voor anderen, maar om je geweten t.o.v. God! In Rm. 15, 1 f.f., lijken de sterken echter een heidense achtergrond te hebben en men lijkt zich af te zetten tegen Joodse gelovigen die de de spijswetten houden; deze zouden de volheid van het nieuwe verbond niet begrijpen.

Rm. 14, 1-4
De zwakke  in het geloof is iemand die moeite heeft met het eten van bepaalde producten.
Dezen moeite kan liggen in het al of niet navolgen van de Joodse spijswetten. Toch mag in de uitleg wat vrij worden omgegaan met deze Joodse spijswetten. Het gaat hier om ondescheid tussen het eten van vlees en plantaardig voedsel. Er is een vergelijk mogelijk met Daniël 1 waar Daniël en zijn vrienden kiezen voor plantaardig voedsel tegenover de rijk voorziene tafel van de koning.
Het onderwerp is niet zozeer het al of niet eten van vlees of kiezen voor een vergetarische eetgewoonte. Het gaat er om dat mensen elkaar be- en veroordelen omwille van deze keuze. Degene die alles eet wordt gebrek aan vroomheid t.o.v. Christus verweten, maar degene die dat niet doet gebrek aan vrijheid  in Christus. Paulus zegt bij wijze van spreken lees even in mijn brief terug Rm. 5, 1-3 dan zult u zien dat elke gelovige is aangenomen in de genade en in een dergelijke positie voor God staat omdat hij/zij is gerechtvaardigd door het geloof. God heeft hem/haar/hen aanvaard.
Ik geloof dat het vierde vers een voorbeeld is van Paulus is uit de praktijk. Het gaat om het eigendomsrecht van de huisslaaf en de enige die een oordeel kan vellen is zijn eigenaar (heer).
Nu zegt paulus houdt met op elkaar te bekritiseren omwille van eet gewoonten e.d. God zelf is uw eigenaar en uiteinderlijk belist de Here er zelf wel over.

Rm. 14, 5-7
In deze verzen gaat over de joodse sabbat en vast feestdagen (Joodse feesten?). Wellicht ook vastendagen. De eerste gemeente in Jeruzalem onderhield al deze zaken met de nadruk op de sabbat. Ik krijg vanuit Hd.20, 7 de indruk dat de heidengemeenten de eerste dag van de week de opstandingsdag van Christus in ere houden; men komt samen op deze dag. Misschien is dit het strijdpunt in Rome maar het gaat hier om voorkeur voor een bepaalde dag als uiting om speciale aandacht voor God te hebben. Opnieuw zegt de apostel houdt er mee op elkaar af te meten aan deze keuzes. Het om de de motivatie waarom de gelovige iets wel of niet doet. Het gaat in al deze zaken om een keuze van het geweten voor God; doe het dus niet om vromer te lijken (zoals Petrus in Gl.2), dan is het gewoon eigen gerechtigheid en eigenlijk huichelen/ toneelspelen. Doe het omdat je in je geweten overtuigd bent dat God deze zaken wel of niet van u vraagt.
Een voorbeeld. Ik ben opgevoed met een nogal strenge zondagpraktijk. Op zondag mochten een heleboel zaken niet welke in de week wel mochten; sporten, autorijden enz. Ik ging in België de zending in via de B.E.Z., daarna mijn studies doen aan de E.T.F. Ik kwam daar in een internationaal gezelschap terecht welke zich met mijn zondagswetten helemaal niet bezig hield.
Dit vroeg voor nadere oriëntatie. Ik ontdekte bij hen weer andere tradities: een Christen rookt niet en drinkt niet; heel percies zelfs geen druppel.
Nu ik ben blij van de rookverlaving bevrijd te zijn maar een goed glas bier/wijn/port op zijn tijd vind ik lekker.
Nu het gaat erom beste vrienden: kun je God danken voor wat je doet? Ik kan dat bijv. niet als ik mensen erger door mij tegengesteld te gedragen aan de gewoontes van andere broeders en zusters met de bedoeling hen de les te lezen, ik kan dat ook niet als ik bier of wijn drinkt als ik weet dat iemand (een ex alcoölist) in mijn gezelschap is; dan doe ik het niet en het gaat om de vrijheid van geweten. Ik was op een zondag te gast bij een broeder en zuster i.v.m.  een dubbele preekbeurt. Hij had op zondag de gewoonte een sigaartje te roken en hij bood er mij een aan. Voor hem was dat geen zonde, maar voor mij wel want als ik weer ga roken is dat voor mij te gevaarlijk. Het doet mij echter niet veel als iemand in mijn nabijheid rookt.
Niemand leeft voor zichzelf en sterft voor zich zelf, wij leven uit genade voor God.

Een dergelijke instelling zou ook goed zijn in kerken die elke generatie weer veranderen. Jongeren vragen om een plek en ouderen willen graag bij het oude blijven. Het draait om liturgie Psalmen, gezangen. Zangbundel enz. Vrienden het is allemaal van lagere orde, ook hier draait het aanvaarden van elkaar, dankbaarheid en rekening houden met elkaar. Ik zing graag een psalm en een lied uit Johannes de Heer en sommige opwekkingsnummers zeggen mij niet zoveel. Zing gewoon tot eer van God en kijk elkaar  er niet  op aan maar wees elkaar onderdanig in de liefde.

Sla eens op een vers uit 1 Cor. 8, 1-13 en wel vers 13. Wanneer ik met mijn eetgewoonte een broeder erger en zelfs de oorzaak kan zijn dat hij mijn voorbeeld volgt zonder dat zijn geweten er klaar voor is. Als zo,n broeder door mijn schuld wellicht afdwaalt en verloren gaat! Welnu zegt Paulus dan eet ik geen vlees meer in der eeuwigheid. Ons leven is het eigendom van Christus en dat is het enige dat telt; niemand leeft voor zichzelf of sterft voor zichzelf; of wij dan leven of sterven wij zijn van de Here.

Rm. 14, 8-11 (12)
Vers 8 is al aan de orde geweest, maar de vermaning die diep indringt. Laten wij beste vrienden met een beoordeling van broeders en zusters m.b.t. de bijzaken goed luisteren naar elkaar, twee keer denken om  één keer te spreken. In leven en sterven zijn wij het eigendom van de Here zoals de huisslaaf uit vers 4. De rechterstoel van Christus wordt ook genoemd in 2 Cor. 5, 10. en vanuit Rm. 14, 12 blijkt dat hier ook de rechterstoel van God wordt bedoeld; zie ook Filpp.2, 10.11.
Broeders en zusters ik geloof dat met deze rechterstoel de grote witte wordt bedoeld uit Mt. 25 en Opb. 20 de troon waar rechts mensen verheerlijkt voor verschijnen maar ook mensen in een andere staat; schapen rechts bokken links en de troon waar boeken worden geopend en het boek des levens opengaat. De tegenwerping op dit gegeven is de gelovige komt niet in het oordeel maar hier lees ik het eindoordeel in de poel van vuur.
Het gaat Paulus niet om een negatief oordeel, maar om een positief oordeel. Hij valt terug op het werk van Christus, gestorven en opgestaan (zie ook Rm. 3 en bijv. 1Cor. 15). Het gaat om het heersen van Christus over doden en levenden en hier hier wordt de opstanding der doden bedoeld zoals Jn. 5, 5, 26-30 laat zien Christus roept alle doden (Christus is hiervoor aangesteld door Zijn Vader, zie Hd. 17, 31) uit de graven op die ene dag die God daarvoor heeft bestemd.
De gelovig mag dit oordeel met vertrouwen tegmoed zien. Mt. 25 en Opb. 20 tonen de goede afloop, de ingang in het Koninkrijk der hemelen of het Koninkrijk van God.

Juist als in de brief aan de Filippenzen belijdt de apostel Paulus dat iedereen veinzend of dankbaar en vrijwillig zal belijden dat God de Schepper is en alle macht heeft in hemel en op aarde.
In het licht van dit geweldige feit is oordelen over elkaar, omtrent gewoonten en verschillen van inzicht en beleving, traditie en vrijheid, gewoon onnodig. Niet terzake doende.
Dient elkaar door de liefde en laat elkaar daar vrij in.

De volgende verzen, Rm. 14, 13-23 werkt dit principe verder uit. Mag ik nu al wijzen op Rm. 14, 23. Het komt nog breder aan de orde: Laat iedereen de dingen die hij doet of laat door geloof doen!

Gods zegen met deze studie.

Drs. A. ten Napel 24 sept 2019