Romeinen 15,14 tot 16-27

0
207

Inleiding

Een fors gedeelte maar dat is niet erg. De apostel sluit zijn momumentale brief af.
Hij spreekt over zijn verlangen naar Rome en wil zelfs naar Spanje reizen, voortgeholpen door de gemeente in Rome. Deze verzen mogen kort worden door gelopen.
Romeinen 16 lijkt na de afsluiting in hoofdstuk 15 overbodig, Paulus heeft de gemeente een laatste groet gegeven, hen opgeroepen tot voorbede. Hij heeft (het boek Handelingen toont dit) veel last van vervolging en tegenwerking met name van de Joden uit Judea. In 1 Cor. 16 (zie ook 2 Cor. 8.9; Gl. 2) verwijst hij naar de collecte, welke hij eveneens noemt in Rm. 16, 25-29. Er komt echter een kink in de kabel, Handelingem 19, 21 toont hetzelfde voornemen van Paulus.
Het is niet gehelemaal duidelijk of Paulus de opbrengst van de collecte bijzich heeft (wellicht wel) als hij in Jerualem aankomt, hij is wel door Heilige Geest ingelicht m.b.t. boeien en gevangeschap. Jakobus de broer van Christus dwingt de apostel min of meer weer OT wetten te volgen maar juist daarom wordt hij in de tempel gevangen genomen en begint een heel traject van rechtzaken en gevangeschap.

God stuurt de plannen van Paulus helemaal in de war, Zijn plan is anders, Paulus gaat, na gevangschap, rechtszaken voor het sanhedrin, Felix en Festus, als gevangene naar Rome nadat hij zich op de keizer heeft beroepen. Jezus heeft hem in een visioen bemoedigd, Paulus heeft in Jeruzalem getuigd, een van de laatste waarschuwingen, zo niet de laatste, aan het sanhedrin.
Nu moet hij hetzelfde doen in de rechtzaal in Rome, voor de keizer Nero welke ook een waarschuwing hoort, voordat hij een paar jaar later Rome in brand steekt en de gemeente bijna uitroeit. Nog een opmerking wanneer de apostel Spanje heeft aangedaan, dit is wellicht gebeurd nadat hij door Nero is losgelaten, is de toemalige wereld bereikt met het evangelie. Tijdens zijn eerste gevangeschap heeft hij heeft in Rome huisarrest. Later is, als hij opnieuw naar Rome gaat (zie 2 Tim. 4), wordt hij te Rome gevangen gezet en onthoofd.

Nu eerst een paar opmerkingen over Rm. 15, 14-26 en dan de afsluiting in Rm. 16.

Rm. 15, 14-26.

Paulus heeft gedurft geschreven maar is ook bescheiden, hij weet dat er voldoende kennis in Rome aanwezig is. Hij ontleent de autoriteit van zijn brief aan Gods genade, wanneer Gl. 1, 6-9 erbij wordt gelezen is ook hier sprake van apostolische gezag. Petrus zegt hetzelfde in 1Pt. 1, 16-21 als hij zich beroept op het horen van de stem van Jezus en de vastheid van het profetisch woord.
In vers 18 beschrijft de apostel zijn afhankelijkheid van datgene dat Christus door hem/ in hem bewerkt heeft. In Corinthe (hij schrijft de brief wellicht tijdens zijn verblijf te Corinte, veel wonderen hebben daar plaats gevonden; in Corinthe is het werk van de Geest en het uitdelen van de gaven overvloedig; zie Rm. 15, 19 waar hij spreekt over wonderen en tekenen; zie ook 1Cor. 2,4.
Opvallend is dat apostel Paulus daar heeft gewerkt waar niemand anders al is geweest.
In Galaten vindt een tweedeling plaats. Paulus en Barnabas gaan naar de heidenen in het Romeinse rijk en de anderen apostelen zoals Petrus richten zich op de Joden in het Romeinse rijk; zie 1Pt. 1, 1. Vergelijk hierbij 1 Pt. 1, 1 en Jk. 1, 1 waar in beide verzen het woord verstrooiing wordt gebezigd; zie Jes 52, 35.

Er is al opgemerkt dat hij om voorbede vraagt want hij wil geen spanningen veroorzaken in Jeruzalem, hij kent de oorzaken van deze spanningen; hij onderwijst dat de Joden hun kinderen niet behoeven te besnijden,wordt hem verweten Dit is overtrokken. Hij adviseert de Joden dat zij, als zij besneden zijn dit zo moeten laten, maar adviseert eveneens de heidenen zich niet te laten besnijden. Hiervan lijkt te zijn afgeleid dat hij de kinderbesnijdenis onnodig vindt; uitgaande van het nieuwe verbond in het bloed van Christus, (Col. 2, 11-15 en ook Rm. 2, 25-29) is dit de waarheid. Maar of Paulus dit daadwerkelijk heeft onderwezen aan de Joden is twijfeachtig daar hij zelf Timotheüs besnijdt omwille van de Joden.

Rom. 16, 1-27.

Hoofdstuk 15 eindigt met een zegenwens een trditoneel einde van een brief. Paulus schrijft zelf Rm. 16, 21-23 persoonlijke groeten en als dit gedeelte aan Rm. 15 zou zijn toegevoegd had niemand iets gemist. Na het AMEN in Rm. 15, 33 volgt echter Rm. 16, 1-20. Hij dicteert eerst een aanbeveling voor zuster Febe, daarna een hele reeks opdrachten om genoemde personen in de tekst de groeten te doen, vervolgens nog een serie waarschuwingen. Daana sluit de apostel zijn brief met een persoonlijk kenmerk, zijn eigen handschrift.

Bovenstaand gedeelte hoort ondanks vele pogingen tot een ander uitleg echt bij de brief aan de Romeinen. Het heeft dus een functie in de brief, maar welke.
Prof dr. J. Van Bruggen heeft bij de overdracht van zijn rectoraat een rede gehouden: “Het Raadsel van Romeinen 16.” Het volgende haal ik uit deze rede die op schrift is verschenen en door De Vuurbaak in Groningen (1970) is uitgegeven.

Ik ga kort in op de diakones Febe Priscilla en Aquilla.
Febe heeft een functie als diaken in de gemeente die in Kencheeën is. Zij komt wellicht de brief van Paulus in Rome brengen en daarin vraagt Paulus haar met alle waardigheid te ontvangen. De hulp en bijstand zal niet alleen stoffelijk zijn geweest maar ook vertroosting met (de Bijbel in de hand) door de Schriften. Hier gaat het om, evenals bij de volgende personen die worden opgesomd. Epenetus, Maria, Andronicus en Junias (bekend en gewaardeerd door de (12) apostelen, Amplias, Urbanus en Apelles. Bij iedere persoon of pesonen staat wel een reden waarom men de groeten verdient van de gemeente in Rome. Biv. Apelles is een beproefd dienaar.
Groeten is in de oudheid het onderhouden van contact, het is de bedoeling van de apostel dat men deze mensen moet ontvangen en naar hen dient te lusteren. Deze mensen schijnen te maken hebben gehad met het werk en het ontstaan van de gemeente in Rome.

Aquilla en Prisca hebben hun leven op het spel gezet voor de dienst aan Christus, Paulus komt hen allereerst tegen in Corinthe omdat Keizer Claudius de joden uit Rome jaagt en zijn daarna dus weer naar Rome terug gekeerd. Waarom zijn zij naar Rome teruggekeerd? Nu zij weten dat Paulus er graag naar toe wil en zullen ook weten dat Paulus steeds verhindert is door allerlei omstandigheden.
Weten zij van zijn gevangeschap later wie zal het zeggen.
Er is echt wel veel voor te zeggen dat zij in de plaats van Paulus (zij hebben hun leven voor het evangelie geriskeerd ) aan het begin hebben gestaan, als plaatsvervangers van de apostel, van de gemeente in Rome.
Ook alle anderen zijn bekenden van de apostel en sommigen hebben al in de dienst van het evangelie gestaan voordat Paulus apostel is geworden; ook zij zijn bekend in Rome en de apostel schijnt door hen op de hoogte te zijn gehouden over het wel en wee van de gemeente.
Epenetus is zeer waarschijnlijk door de Christenen in Asia uitgezonden als zendeling wellicht naar Rome. Andronikus en Junia kennen de apostel Paulus vanuit gevangenschap. Zij worden apostelen genoemd; nu zou dit de gevangenschap in Caesarea kunnen zijn? Zeker is dit niet maar de bekendheid met met het verlangen van Paulus naar Rome Rm 1, 8-15 wordt er wel door verklaard.
Het gebruikte woord is mede (krijgs) gevangenen. Zij zijn door de Here geronseld voor de dienst van het evangelie; er is niets op tegen hen apostelen te noemen.
Deze mensen zijn Rome bekend. wonen en werken in Rome zijn in dienst van evangelie in Rome.
Aquilla en Priscilla lijken het voortouw te hebben genomen het ontstaan van de gemeente in Rome.

Nu beste vrienden al deze medearbeiders worden gevraagd voor Paulus te bidden als hij naar Jeruzalem gaat evenals de gemeente wordt gevraagd om voorbede te doen.
Uit de gebeurtenissen in Handelingen wordt duidelijk hoe nodig dit is geweest.

De slotles van onze studie is een oproep tot voordurende gebed voor elkaar.
Ook in Nederland zal de verdrukking toenemen. Jezus komt spoedig.
Zijn wij klaar om Hem te ontmoeten.

Gods zegen en gezegend 2020.
Drs. A. ten Napel

Rond eind januari begin februari (D.V.) wordt deze Bijbelstudie reeks voorgezet met een behandeling van de Hebreeënbrief.