Romeinen 3,1-20

0
126
De verleiding is groot om vlug toe te werken naar de uiteenzetting van de apostel over de rechtvaardigmaking door het geloof (Rm. 3,21-21). Het mag nog even niet, sla maar op Rm. 3, 29-30; 4,9-12.
God is onpartijdig; onpartijdig in de het oordeel, maar zeker ook in Zijn rechtvaardiging.

In Rm. 3, 1-8 gaat de apostel dieper in op de voorrechten van de Joden t.o.v. De heidenen. Hij bewijst dat ook de Joden zondaar zijn ondanks hun voorsprong en voorrechten m.b.t. de heidenen.
Rm. 3, 9-20 sluit het gedeelte dat al begonnen is in Rm. 1, (16). 18 af; Rm. 1, 18-Rm. 3,20 is één gedeelte.

Wat staat er in Rm. 3, 1-20? Zullen wij het gedeelte eens gaan lezen! Eerst maar naar Rm. 3,1-8.
Lees eens Rm.2,29: “maar hij is Jood die het in het verborgene is, en dát is de besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.”
Het voordeel van de besnijdenis, vraagt de apostel met een retorische vraag? Sla eens op Rm.9, 4, 5 want daar zegt Paulus ongeveer hetzelfde. Merk op datgene wat de apostel het belangrijkste vindt. Men heeft Gods Woord als eerste ontvangen!
In Rm 2 lijkt de voorrangspositie (zie Rm 1,16 en Joh. 4 ) te verbleken en hoe staat het nu met al die voorrechten van Abrahams nakomelingen?
Paulus formuleert heel direct, hun zijn de woorden (“logia”) toevertrouwd, dit wil zeggen de uitspraken van God en op deze manier mag de dienst van Johannes de Doper en de bediening van Jezus zelf worden opgeteld bij al die Woorden uit OT; uit de wet, de psalmen en de profeten; zie ook Hebr. 1,1; Hd. 13, 17-41; 20, 35en 2Pt. 3, 15.16. Sommigen zijn ondanks Gods trouw ontrouw Ongelovige geworden of gebleven. Een houding welke door het OT wordt onderstreept; zie Rm. 11, 1 f.f. In Rm. 18 f. wordt als gesproken over Gods toorn die wordt opgehoopt enz. dit geldt voor Jood en voor de Griek.
De prangende vraag is: Hoe is dit te rijmen met Gods trouw t.o.v. Israël? Paulus beantwoordt deze vraag op een voortreffelijke manier.
Is dit ongeloof een streep door Gods trouw t.o.v. Zijn volk? Paulus ontkent dit stellig, zijn antwoord wordt gekleurd door Ps. 116, 11 en Jes. 63, 8. God is geen leugenaar mensen liegen. Ps. 51, 6 ondersteunt deze ontkenning. David erkent de rechtvaardigheid van God in Gods straf, zelfs in zijn gebed om vergeving.

Opmerking: De vraag waarom God niets aan de ellende in de wereld doet (als verwijt) is eigenlijk onmogelijk. De mens is schuldig aan deze ellende. Door hun overtreding zucht de schepping in barensnood; zie Rm. 8,18 f.f.
De zonde welke in Gen. 3 in de wereld de dood heeft gebracht gaat alle mensen langs want alle zondigen. Paulus kan vanaf Rm. 3, 21 de genade in het volle licht zetten omdat hij eerlijk de zonde benoemd; zie Rm. 3,21-25. Wij worden om niet gerechtvaardigd, Jezus is voorgesteld als Zoenmiddel; genadetroon (“hilasterion “).

Gebruikt God de zonde om zijn straf te rechtvaardigen? Hij brengt toorn over de Jood (zie Opb. 6, 16.17; Rm.11, 11.12). Paulus ontkent dit eveneens want de mensen zijn leugenachtig. Hun zonde brengt het oordeel, dit omdraaien, wist Gods recht tot straf niet uit.
De voorrechten van Israël heffen de eis van de wet en van het verbond niet op.
In Joh. 8 denken de Joden dat wel, maar Jezus maakt fijntjes duidelijk dat een afstamming van Abraham noch gelovige maakt. Johannes de Doper zegt de leden van het Sanhedrin dat God uit stenen kinderen van Abraham kan verwekken!

Opmerking: Rm. 4 gebruikt de apostel om te laten zien dat Abraham de Vader is van meerdere volken. De Joden, maar hij is ook de Vader van de gene die doen wat Abraham doet. Een “echte Jood” doet dit eveneens.
Voor ons als lezers een les. Wij zijn als lid van een gemeente, een gerenommeerd Christen, een voorganger van de gemeente, een oudste niet beter als anderen.

Dan is nu Rm. 3, 9-20 aan de beurt Paulus beschrijft nog één keer de voorrang positie van het Joodse volk. Door deze discussie loopt de rode draad van Gods oordeel. De Joodse voorrechten die er zeker zijn (Rm. 1,16; Rm.2, 12 f.f.; Rm. 9,1-4). Aan het Joodse volk is Gods Woord toevertrouwd.
Deze voorrechten wissen echter niet het oordeel uit. Matteüs 22, 1-14 ( zie ook Mt.21, 33-46) laat weten dat het Koninkrijk der Hemelen verhuist omdat de genodigden het niet waarde schatten. De wijngaard wordt aan anderen verhuurd, die wel de pacht afdragen!
Mt. 23, 32-36; Mt.24 laten zien dat dit oordeel hen in eerste instantie heeft getroffen. IN 70 AD is Jeruzalem verwoest en heeft God het bloed van de apostelen en profeten, het bloed van Jezus, Stefanus en Jakobus de broer van Christus van de hand van Jeruzalem geëist.

In vers 20 stelt Paulus onomwonden, de wet doet zonde kennen, een conclusie welke de wet ondersteund; zie Ps,14,1-3; Pred.7,20; Ps. 5,10; Ps.140,4; Ps.10,7; Jes. 59,7.8; Ps. 36,2 en Ps, 143,2. Uiteraard een overweldigend bewijs en het is niet verwonderlijk dat de apostel in Rm.9 lijdt onder de afwijzing van zijn volksgenoten, maar hij moet concluderen dat niemand verstandig is, niemand God zoekt, niemand goed doet, hun spreken giftig is, hun mond vloekt, hun voeten lopen op moordenaarspaden, vernieling, ellende, geen vrees en eerbied voor God e.d.
De wet stelt terecht allen Jood en heiden 0f heiden en Jood hebben gezondigd.
Gezondigd tegen de geschreven wet en/ of gezondigd tegen de morele wet!

DOOR DE WET IS DE KENNIS VAN DE ZONDE.
Op deze manier beëindigt Paulus zijn uitwerking van Rm. 1, 18 om in Rm.3, 21 f.f. Een gedeelte te beginnen. Een geweldig gedeelte, dat begint met de woorden: “Maar nu”.
Woorden welke een totale verandering van situatie aangeven; zie 1 Cor. 5,20.
Paulus gaat spreken over de rechtvaardiging door het bloed van Christus. De gerechtigheid van God is openbaar geworden( Rm. 1,17).

In Rm. 3,25 wordt Jezus voorgesteld als zoenmiddel, een woord in de Grondtekst dat herinnert aan het verzoendeksel uit het OT. Lukas 18, 9-14 wordt de vertelling gevonden over de Farizeeër en de Tollenaar. De Tollenaar bidt om genade zoals wordt vertaald en gaat gerechtvaardigd naar huis.

O GOD WEES MIJ ZONDAAR GENADIG.
Het woord genadig kan vertaald worden met wees mij zondaar bereid tot verzoening.
De tollenaar staat zo dicht mogelijk als hij durft bij het heiligdom en pleit op het gebeuren bij de Grote Verzoendag; hij gaat gerechtvaardigd naar huis.

Jezus wordt ons aangereikt weg tot verzoening. Bent u deze weg al gegaan.

De volgende studie werkt Romeinen 3, 21-31 uit Nu Gods zegen met het opnemen van deze studie

Age ten Napel 16 Juni Joure