Romeinen 6:15-7:1

0
97
Inleiding Rm. 6.15
We gaan eerst even kijken naar bepaalde verbanden! Rm. 6, 15 stelt een retorische vraag; Paulus bedient zich, hebben we gezien (we komen het ook weer tegen in Rm.6, 1; 7, 7), vaker van deze insteek. De apostel stelt in dit vers iets dat vragen kan oproepen: “Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? In Rm. 6, 14 lijkt hij dit te zeggen.

Nu lijkt Paulus in zijn brief op gespannen voet met de wet te staan; zie Rm. 3,21.31; 5, 13; 6, 14 en 7,7. Om deze reden schrijft de apostel Romeinen 7. Hij wil glashelder uitleggen hoe de wet werkt in het leven van een Christen, maar ook de grenzen welke de wet niet kan overschrijden in het leven van de Christen. Aan het einde van deze studie wordt dit nog breder toegelicht en bij de behandeling van Romeinen 7 nog meer uitgewerkt; het is belangrijk

Rm. 6. 15-16
Paulus herhaalt de vraag van Rm. 6,1, maar plaatst deze vraag in de bedeling Mozes-Christus. Lees nog maar een keer: Rm. 6,1 “Zullen wij zondigen opdat de genade groter wordt?” Rm 6, 15 “Zullen wij zondigen omdat wij niet meer onder de wet maar onder de genade zijn?” De beide antwoorden zijn hetzelfde: dat nooit! Een definitief nee! Maar wanneer de apostel zich zo sterk uitdrukt, dan is het nodig een sterk argument voor dat nee neer te zetten. Pauls werkt Rm. 6, 1-14 uit in praktische zin. Hij neemt eerst een algemeen voorbeeld (zie ook Mt. 6, 24). Een slaaf heeft een eigenaar en hij kan geen andere eigenaar dienen. Wie men zich als slaaf ter beschikking stelt, die moet men gehoorzamen. Een Christen is een slaaf van Christus, hij/zij is gekocht en betaald, door het bloed van Christus. In de kern wil dit zeggen, dat als iemand een slaaf van de zonde wil zijn er als loon de eeuwige dood op volgt. Kiest iemand echter om Christus als slaaf te gehoorzamen dan is zijn einddoel het eeuwige leven. Een christen is op aarde verplicht zich te gedragen als een onderdaan van Koning Jezus! Wij stierven met Christus aan de zonde, de oude mens is met Christus gekruisigd, wij zijn gerechtvaardigd van de zonden en mogen, kunnen, ja moeten, leven door het geloof; zie Gl. 2, 20.21.

Rm. 6, 17-23
Paulus begint met God te danken, hij weet dat zijn lezers christenen zijn. Hij weet dat de gemeente onderscheid kan maken tussen een niet gelovige en een wel gelovige. Paulus heeft in Rm. 1,16-17 kort het evangelie samengevat en weet dat zijn lezers, de gemeente, deze leer geloven en gehoorzamen.

Van harte gehoorzaam geworden (“upekousate de ek kardias”) geeft aan dat er in de gemeente een verandering van denken heeft plaatsgevonden d.m.v. de prediking van dat evangelie; Zie Hd. 16, 14.
Men is overgegeven (“eis hon paredonthete tupon”) een spraakgebruik dat slaven zal aanspreken want er wordt een verandering van dienst aangegeven. (“Tupon”) is verder een woord dat wijst op het brandmerk dat slaven ontvangen als zij een eigenaar hebben gekregen.

Een goede trouwe slaaf is trouw aan dat huismerk, maar een Christen draagt het merkteken van Christus (zie voor de tegenstelling Opb. 13,16). Dit merkteken mag wijzen op de doop, maar ook op de doop met de Heilige Geest welke een gelovig ervaren mag. Gods kind is toch gerechtvaardigd van de zonde en is bevrijd van de slavernij van de zonde.

Merk op: Een christen mag / moet, door het geloof de zonde weerstaan en niet aan verleidingen gehoorzamen (Rm. 6, 11-14). Het doel van het leven als gelovige is de Here Jezus te dienen, niet als dwang maar uit liefde. Een kind van God is een slaaf van Christus dat is waar, maar let op!

Sla eens op Jn. 15, 13-17, daar staat iets geweldigst: Jezus noemt ons Zijn vrienden. Vrienden vertrouwen en doen graag iets uit liefde voor zijn/haar Grote Vriend.

Paulus past het een en ander praktisch toe, hij gebruikt de uitdrukking: Ik spreek op een menselijke manier (“anthroopinon legoo”) omwille van de zwakheid van het vlees. Ik ben geneigd deze uitdrukking te lezen als: ik vertel het zo simpel mogelijk omdat u het anders niet begrijpt; merk op Petrus heeft er ook moeite mee, zie 2 Pt. 3,16. Toch oppassen met deze uitleg want de uitdrukking (“astheneia tes sarkos”) wil meer zeggen dan alle onbegrip, want dit ‘niet begrijpen’ komt door de duisternis welke de zonde en de gebrokenheid nog steeds uitzaait; zie Rm. 7, 24.

De apostel werkt naar zijn slotconclusie toe. Rm. 5, 12 ff. komt weer bovendrijven. De gemeente in Rom kent het leven in de zonde de ongerechtigheid, een leven in dienst van de onreinheid. Zij schamen zich voor deze manier van leven.

Opmerking: Is deze schaamte ook bij ons als lezers aanwezig? Deze helpt om alert te zijn op verleidingen!

Dan komt het slotakkoord en deze houdt een geweldige belofte in: Wie een liefdeslaaf van Christus is geworden, draagt vrucht door de Geest, heiliging met als einddoel het eeuwige leven; in Opb. 19 wordt het bruiloftskleed uitgereikt, welke bestaat uit eerherstel voor de gelovige; zie Opb. 19, 8. Zie ook Gl. 5, 16. Wie wandelt door de Geest zal de neigingen van het vlees niet uitvoeren! Zie Efeze 5, 18: Bedrink je niet aan wijn, wordt vervuld met de Geest; een zaak van geloof en gebed.

Rm. 7, 1 Paulus zegt ik weet dat ik tot mensen schrijft die de wet kennen!
Waarom schrijft Paulus Rm. 7? Ik geloof dat dit gedeelte samen met Rm. 6 een tussenstuk wil zijn. In Rm. 6 heeft Paulus uitgelegd waarom een christen niet goedkoop zondigt en in Rm. 7 wil hij verklaren dat de wet niet zondig is, maar integendeel heilig en goed is maar niet in staat is tot heiligmaking.

Misschien een stukje herhaling. Paulus is een Jood en ex-farizeeër. Hij weet dat er in de gemeente Joden zijn die gelovig zijn geworden. Nu heeft hij in de brief nogal de wet afgekraakt zo lijkt het. Zie Rm. 3, 21 Buiten de wet om heeft God zijn gerechtigheid geopenbaard, Rm. 5, 20 De wet kwam er nog bij zodat de overtreding toenam, Rm. 6, 14: U bent niet onder de wet maar onder de genade.

Paulus loopt het gevaar om als tegenstander van de wet gezien te worden. Deze apostel vindt de wet zonde en wil deze afschaffen. In het zevende hoofdstuk van zijn brief wil Paulus een bredere uitleg geven van de functie van de wet, maar ook datgene wat de wet niet kan. Wij zien de uitleg van Rm. 7, 1-13(14) in de komende Bijbelstudie en vervolgen daarna met R. 7, 14(15)-26. In deze uitleg wordt eveneens een poging gedaan deze ellendig mens ervaring in Paulus’ eigen te plaatsten!

Paulus laat in dit hoofdstuk de veranderde positie zien van een kind van God inzake de wet, hij laat vervolgens zien waarom de wet de apostel zelf een krijgsgevangene van de zonde heeft gemaakt.
Een voorzet nog: Paulus geeft zijn eigen ervaring weer als een waarschuwing maar niet als weg om na te volgen. Hij begint Romeinen met een voorbeeld en niet met een allegorie, waarvan de uitleg volgt in de komende studie. Deze voorzet wil u prikkelen tot voorstudie!

Juni – drs. A. ten Napel Joure.