Vaders des vaderlands

0
55
De Kerstwens van een klein Dordts meisje

Zachtjes pinkelen de sterren boven de oudste stad van Nederland. Als in een sprookje ligt zij daar, beschenen door het mysterieuze licht van de maan. De daken van de mooie koopmanshuizen en van de oude pakhuizen langs de haventjes zijn wit besneeuwd. En onder een witte deken dromen ook de straten in de lichtkring van de prachtige, oude straatlantaarns. Wat is Dordrecht mooi deze Kerstavond.

Door Teus Schep

Om tien uur zijn de hoge, rode deuren van de Grote Kerk opengegaan, en door de sprookjesachtige winternacht zijn de mensen gekomen, en naar binnen gegaan. Een half uur voor middernacht begint daar immers, zoals ieder jaar, de Kerstwake.
Niemand heeft gezien dat uit het mooie kostershuis bij de kerk een klein meisje kwam. Ze had warme laarsjes aan en droeg een dikke, warme jas over haar nachtjapon. In haar hand hield ze een opgevouwen deken. Stilletjes was ze de opgewaaide sneeuw ingelopen, dicht tegen de kerkmuur aan. Wilde ze niet gezien worden?
Tussen wat mensen die naar binnen gingen, glipte ook zij de toren in. Maar in plaats dat ze de sfeervol verlichte kerk inliep, ging ze door een houten deurtje de torentrap op.
Wat moest ze daar?
Wist ze niet dat ze daar nu helemaal niet komen mocht?
Wist ze wel hoe hoog de toren is, hoeveel treden je klimmen moet?
Zijn tweehonderdvijfenzeventig treden niet veel te veel voor jou?! Je bent nog zo klein, en het is zo koud!

-0-0-0-

O wat was ze moe…, maar…ze was er!
Zachtjes duwde kleine Anna het deurtje open dat toegang gaf tot de trans van de platte toren.
Hu, wat was het koud.
Gaf niets, hoor. Ze had immers een deken bij zich.
Beneden haar lag Dordrecht als een zacht glanzende sprookjesstad aan het water.
Tussen de bolvormige stenen stijlen van de balustrade door zag ze in de verte het donkere lint van de rivieren waarover eens de watergeuzen naar de stad gekomen waren.
Met haar laarsjes maakte ze een plekje vrij van sneeuw, vouwde de deken om zich heen en ging zitten. Een klein meisje op die hoge toren, helemaal alleen. Wat deed ze daar toch?
Hoor, ze zegt wat…, wat zegt ze dan? Weet ze dan niet dat niemand haar hier horen kan?
Kleine Anna bidt!
Wat? Is ze daarvoor hier gekomen?
Dom meisje, weet je dan niet dat de Here Jezus je ook in je warme bed in het kostershuis heel goed horen kan?
Jawel, dat weet Anna ook wel, maar wat ze vragen wil is zo belangrijk voor haar, zo ontzettend belangrijk, dat ze maar één plek had kunnen bedenken waar ze dat zou kunnen vragen.
Ze wil een wens doen.
Een wens doen?
Ja, het is immers bijna de verjaardag van de Heere Jezus, en Anna gelooft dat de Here Jezus het dan heel fijn vindt om de wensen van kleine kinderen en grote mensen te vervullen. Nog méér dan anders!
Heb je nooit gemerkt dat grote mensen met Kerst vaak veel aardiger en liever voor elkaar zijn dan anders? Nou dan. Dat komt natuurlijk omdat het de verjaardag van de Here Jezus is. Dan stuurt Hij Zijn engelen eropuit om te zien of ze de mensen extra blij kunnen maken en veel van elkaar kunnen laten houden – of dat ze hen kunnen troosten, natuurlijk. Dat ook.
Met Kerst lijkt het wel alsof de wereld net zo’n glazen sneeuwbol is als zij thuis op haar slaapkamertje heeft, en alsof de engelen dan heel de wereld even heen en weer schudden: de mensen zagen het mooie wat voor hun voeten lag niet meer, maar opeens waaiert al dat mooie door de lucht. En verrukt kijken de mensen ernaar – het lijkt wel alsof er goudstof neerdaalt! Zo mooi!
“Lieve Here Jezus”, zegt Anna… ze bibbert een beetje: het is toch wel erg koud…
“Lieve Here Jezus, wilt U vaders en moeders des vaderlands maken, net zoals Willem van Oranje was? Dat ze de boze mensen, die ons willen dwingen, zullen wegjagen, en zorgen voor ons allemaal, ook voor Ibrahim, mijn vriendje op school, die uit Syrië gevlucht is, dat we vrij zijn? En dat we vrij blijven, en dat de boze mensen hier niet de baas kunnen worden…? Dat is mijn wens, Here Jezus. Amen.”
Hoog in de hemel glimlachte de Here Jezus. Hij begreep wel hoe kleine Anna aan haar wens kwam. Hij wist hoe de avond daarvoor opa haar verteld had over de Spanjaarden die vroeger ons land onderdrukten en alle mensen wilden dwingen in één vorm, hun vorm van geloof. Eigenlijk precies zoals nu moslim-extremisten, zoals IS dat deed. En hoe Willem van Oranje, de vader des vaderlands, daartegen gestreden had, en ook deze streek van die onderdrukking had bevrijd.
“We moeten het weer net zo doen als Willem van Oranje, Anna”, had opa gezegd: “de gewetensvrijheid waarin we geloven verdedigen, en ieder die ze aanvalt, ieder die ons dwingen wil in zijn vorm van geloof of in zijn atheïsme, bestrijden met al wat in ons is. Beschermen en bestrijden, prins Willem had er al zijn geld en goed, en zelfs zijn leven voor over – daarom noemen we hem ook de vader des vaderlands. En wij moeten nu net zo zijn als hij!”
Ze stopte haar kleine handjes diep in de zakken van haar jas en trok de deken nog dichter om zich heen. Zou de lieve Heer het doen?
Van heel ver uit de kerk beneden haar drong vaag een lied tot boven op de toren door:

Stille nacht, heilige stond,
d’Englenstem ruist in ’t rond;
Vrede op aarde, een zalige vree
deelt nu God aan Zijn kinderen mee!
Jezus leeft en Hij bracht
Licht in de duistere nacht.

Anna zat daar maar. Een klein hoopje, op die hoge, besneeuwde toren.
Waar wacht ze nog op?
Binnen in de toren maakt het uurwerk een geluid als schraapt het zijn keel. Dan volgt een harde slag, en nog één… twaalf slagen. Nu was het echt Kerstfeest.
Aandachtig tuurde Anna de heldere lucht in: ging de hemel al open? Kwamen de engelen al zingen, net als toen bij de herders? “Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.”
Zacht, teder bijna, omvatte de maan alles in zijn wonderlijke glans. Een ster aan de hoge hemel knipoogt naar Anna, alsof hij zeggen wilde: “Geeft niets hoor. De lieve Heer heeft jouw wens echt wel gehoord. Ga jij nu maar gauw weer naar je warme bedje. Het is veel te koud voor zo’n klein meisje zo laat in de nacht.”
Bibberend bleef kleine Anna op haar post.
Zo vond opa haar een uur later.

-0-0-0-

Het is Kerstfeest! Oma heeft gebromd op opa: “Jij ook altijd met die verhalen van je. Je hebt dat meisje helemaal in de war gemaakt.”
Ze was afgelopen nacht, toen ze thuis kwam van de Kerstwake, nog even naar het slaapkamertje van Anna gelopen: even kijken naar de kleine meid. Wat was ze geschrokken toen ze het bed leeg gevonden had. Samen met opa had ze door heel het huis gezocht, en toen had ze zich opeens herinnerd dat net, toen ze de kerk afgesloten had, ze het nog zo vreemd gevonden had dat de deur naar de toren op een kier had gestaan. Ze had er opa direct op uit gestuurd.
Zo’n klein, dom meisje toch.
Gelukkig had Anna er niets aan overgehouden. Dat op zich mocht, met die kou buiten, al echt een wonder heten.
Kleine Anna had eerlijk verteld waarom ze de toren opgeklommen was, en wat ze de lieve Heer gevraagd had. En over haar hoofd heen hadden opa en oma elkaar eens aangekeken: wat een tijd toch, waarin zij leefden, dat kleine kinderen deze angsten hadden, en zich met dit soort gedachten bezighielden.
En kleine Anna? Ze had beloofd dat ze dit nooit meer zou doen, maar toch was ze blij dat ze het gedaan had. Het was alsof, net als die ster die naar haar geknipoogd had, de Here Jezus liet merken dat Hij haar echt wel gehoord had, en dat Hij haar wens een hele goede wens vond: vaders en moeders des vaderlands, net zoals Willem van Oranje dat geweest was.
Was dat niet wat dit oude land aan de zee opnieuw nodig had?

E I N D E