Messiaans Judaïsme; een doodlopende weg

0
116
Sinds enige tijd wil zich een nieuwe vorm van Jodendom laten gelden; het Messiaanse Judaïsme. De leden zijn Joden die in de Here Jezus geloven. Zij zien niet in de christelijke gemeenschap maar in het Joodse volk hun thuis. Dit is omstreden in Jodendom en in christenheid. Een prominente vertolker hiervan is Mark Kinzer. Rabbijn, hoogleraar en leider in deze beweging. Maar hoe definieert en rechtvaardigt hij dit Judaïsme en wat zegt de Bijbel daarover?

Door Marco van Putten

Voorgeschiedenis
Christenen met een Joodse afkomst worstelen soms met hun Joods-zijn, omdat ze vinden dat de Joodse geschiedenis en cultuur én Gods beloften aan het Joodse volk specifieke gaven zijn. In de christenheid vinden ze geen ruimte dit te uiten. Het wordt hun afgeraden aan deze dingen aandacht te geven. Toch vinden sommigen dat de Joodse identiteit apart staat van de christelijke. Ze vormden de zogenoemde Messiasbelijdende beweging. De christenheid reageerde gematigd, maar niet zonder enige verontwaardiging. De vraag bleef waarom zij dit nodig vonden. Echter, de Sjo‘ah of Holocaust, en de oprichting van de Staat Israël in 1948 bracht ook de christenheid tot herbezinning. De dialoog met het Jodendom begon. Er ontstond herwaardering van de ‘Joodsheid’ van de christenheid. Dit leidde tot de zogenoemde Messiaanse Beweging in al zijn diversiteit en waaraan eerder niet-Joden dan Joden deel hebben. Sommigen Joodse christenen radicaliseren op het punt van de nationale identiteit van het Joodse volk. Zij vinden dat ze zich geen christen meer kunnen noemen en zien hun thuis in de Joodse godsdienst. Voor hen was dat altijd Gods volk gebleven. Deze stroming heeft zich daartoe Messiaans Jodendom genoemd. Enkelen ervan deden dit aanvankelijk vooral met het doel van zending. Maar sommigen gaan nu zelfs zo ver dat ze de leer van de rabbijnen omarmen en zending onder Joden afwijzen. Eén van de belangrijkste leiders daarvan is de Amerikaanse Jood Mark Kinzer. Om zijn keuze te bevestigen werd hij beëdigd rabbijn.

De visie van Kinzer
Volgens Kinzer zou in het Nieuwe Testament (NT) staan dat het hele Joods volk als Gods volk moet worden gezien en dus als geheel gered word. Kinzer gelooft dat dit komt omdat de Here Jezus altijd verborgen onder hen aanwezig is. Hij begrijpt dat dit aanstotelijk is voor de sommige Joodse en christelijke tradities. Als de Messias in de toekomst zal terugkomen, dan zullen ze een centrale plaats hebben in Zijn Koninkrijk. Hij roept christenen op zich daar nu al op voor te bereiden.
Als ze het volk van God zijn dan horen daar ook de Joodse tradities van het Judaïsme bij, want ook de Here Jezus zou deze hebben nagevolgd. Het Judaïsme van het Nieuwe Verbond (Messiaans Judaïsme) zou volgens Kinzer zelfs de vervulling en hoogste vorm daarvan zijn. De Here Jezus zou ook hebben opgeroepen de leer van de rabbijnen te respecteren (Mt 23:1-3).

Kinzer stelt echter vast dat de christenheid al heel vroeg (circa begin 2de eeuw) er op was gericht om de band met het Joodse volk te verbreken. Volgens hem tegen de wil van de Here Jezus in. Vanaf toen werd het christenen (Jood en niet-Jood) verboden om nog enige vorm van Judaïsme na te volgen. Maar Kinzer stelt ook vast dat de christenheid ondanks deze houding toch altijd uitwassen op dit gebied heeft bestreden en de verbinding met de Joodse wortels niet volledig heeft afgekapt. Zo kregen de Bijbelboeken, die volgens de rabbijnen bij het Oude Testament horen, ook een plaats in de christelijke Bijbel. Het NT behield zijn oorspronkelijk Joodse karakter. En ook is er sinds de Sjo‘ah (vanaf 1945) een nieuw besef gekomen dat sommige christelijke leerstellingen niet juist zijn.

Kinzers belangrijkste stellingen
Kinzer promoot een Joodse gemeenschap van gelovigen in de Here Jezus binnen de Joodse godsdienst, omdat God met het Joodse volk een eeuwig verbond heeft gesloten. Daarom zouden alle Joden ook eeuwig verplicht zijn om de Torah van Mozes na te volgen. Hij stelt ook dat de Joodse traditionele praktijk, volgens de buiten-Bijbelse rabbinale Mondelinge Leer, geïnspireerd is.
Deze aparte Messiaanse Joodse gemeenschap buiten de christenheid wijst als eersteling op de aanstaande komst van de Messias. Deze gemeenschap zou een brugfunctie vervullen tussen het Joodse volk en de christenheid. Het zou de christenheid erop blijven wijzen dat ze verplicht zijn om in solidariteit te leven met het Joodse volk.

Vooral voor twee christelijke leerstellingen, die volgens hem onjuist zijn, brengt het Messiaans Judaïsme heil, namelijk ten aanzien van de vervangingsgedachte en de zending.
Het christelijke vervangingsdenken stelt dat de christelijke gemeenschap de rol als Gods volk van het Joodse volk heeft overgenomen, omdat de laatste door God verworpen zou zijn. Kinzer stelt dat Gods Volk (Joden en christenen) één volk is met één religie, maar tweevoudig is van aard. Tweevoudig qua volk, omdat het Joodse volk een andere, eigen roeping heeft. Niet-Joden moeten geen Joden worden. Tweevoudig ook qua godsdienst, want Joodse gelovigen volgen de Torah van Mozes na, maar niet-Joden moeten dat niet doen. Door deze visie op Gods volk zou er volgens Kinzer geen grond meer zijn voor een vervangingsgedachte.
Over zending stelt Kinzer dat de Joden sinds de komst van de Here Jezus alleen zouden zijn uitgenodigd om Hem als de Messias aan te nemen, maar niet-Joden moesten zich van hun afgoden bekeren. Dit zou het grote onderscheid tussen de twee groepen gelovigen, Joden en niet-Joden, aantonen. Christelijke zending naar Joden zou volgens hem daarom verboden zijn, maar expliciet bedoeld zijn voor niet-Joden.

Evaluatie
Messiaans Judaïsme is een extreme vorm van Messiasbelijdend Joods geloven, omdat ze het Joodse volk en hun cultuur (Judaïsme) centraal stellen. Ze zien zich eerst als leden van dat volk en hun persoonlijk geloof is daaraan ondergeschikt. Dat is de Oosterse insteek van het Jodendom en zou een remedie zijn voor het doorgeschoten individualisme van het Westen. Echter, Kinzers insteek is, naar rabbijns voorbeeld, niet een universele (de wereldwijde geloofgemeenschap) maar een particularistische (het Joodse volk). Deze is strijdig met het Evangelie, die juist wel de wereldwijde christengemeenschap leert (Ef 2:15-16). Zijn verklaring van de tweevoudige aard van Gods volk is gewoon een tweewegentheorie die eveneens strijdig is met het NT (Jh 10:1, 9; 14:6; Hnd 4:12). De tweewegentheorie gaat er van uit dat het Joodse volk een eigen weg met God heeft en de wereldwijde christengemeenschap een andere. Het doet ook af aan de multinationale eenheid van Gods volk (Js 19:24-25; Jh 10:16). Volgens Kinzer zou heel het Joodse volk, gelovig of niet, heilig zijn. Kinzer lijkt daarmee van soort Alverzoening uit te gaan, want de overgrote meerderheid van hen gelooft niet in God volgens de Bijbel. Alverzoening betekent dat iedereen toch gered wordt, ondanks geloof in God en Bijbelse levenswandel.
Deze veel te positieve visie op het Joodse volk is ook problematisch in het licht van Gods verbanningstraf (ook wel ‘de Verstrooiing’ genoemd; Hebr. galoet gojim (Lv 26:33; Js 41:16; Eze 5:10-12)) door de verwerping van de (leer van de) Here Jezus. God liet door hun afwijzing het Evangelie aan de heidenen brengen (Hnd 28:28), zoals was geprofeteerd (Js 65:1). Ze zijn Lo-Ammie (Niet-Mijn-volk (Jr 3:8; Hos 1:9)), omdat ze Gods verbond hebben verbroken. Het verbond is wel eeuwig, maar alleen God geeft er betekenis aan. Door de verbanning is die betekenis voor wat betreft het Joodse volk echter vervallen. In de Bijbel staat echter ook herhaaldelijk dat God de verbanning van het Joodse volk zal beëindigen als zij zich bekeren bij de wederkomst van de Messias (b.v. Hos 2:23). Hun nationale herstel maakt dat ze weer tot Gods volk kunnen behoren. Kinzer heeft een punt dat het beloofde nationale herstel in de toekomst problematisch is voor een strikte vervangingsgedachte.
Omdat Kinzer geen centrale aandacht schenkt aan de verbanning ziet hij niet dat Joden die christen worden een aparte positie innemen. Door hun bekering worden zij persoonlijk verlost van Gods verbanningstraf over het Joodse volk. Doordat ze eigendom van de Here Jezus worden zijn ze overgegaan naar de herstelde verhouding met God. Echter, Gods verbanning van het collectieve Joodse volk is nog niet opgeheven. In godsdienstige zin zijn ze dus lid van Gods algemene volk – de christengemeenschap – totdat het Joodse volk weer voor Gods Aangezicht is hersteld. De christengemeenschap heeft immers geen deel aan de verbanning. Voor die gemeenschap geldt die verbanning als een waarschuwing dat God straft. Kinzer heeft een punt dat de christelijke identiteit veel te Grieks is en te anti-Joods is in vergelijk met de Bijbelse leer. Joodse gelovigen kunnen dus juist door hun gunstige Joodse invloed een zegen zijn in de christenheid. Er moet dus plaatst worden gemaakt voor de Hebreeuws en Israëlitische wortels van het christelijke geloof, zodat zij zich kunnen thuis voelen in de christenheid. De Messiaanse Beweging kan daartoe tot zegen zijn.
Kinzer schuift de Verstrooiing echter als een kleinigheid naar de zijlijn, net als het rabbijnen. Dit wijst dus op het ontbreken van schuldbesef wat zo nodig is voor bekering. Daarnaast maakt hij het onderdeel van de leer over de Messias (Christologie), waardoor de Verstrooiing een heel positieve betekenis wordt gegeven. Hij voert namelijk het rabbijnse concept op dat het lijden van het Joodse volk in de Verstrooiing bedoeld is voor het herstel van de wereld (Tikoen Olam). Daaruit zou volgens hem de verbinding van het Joodse volk met de Lijdende Knecht blijken. Echter, de rabbijnen en Kinzer maken daarmee denkfouten. De Verstrooiing is Gods straf voor hun geloofsafval en dus een opgelegde staat. Het lijden van de Here Jezus voor de wereld was compleet en volmaakt. Daar ontbrak niets aan. De Bijbel biedt dus niet veel ruimte voor de Joodse maakbaarheidgedachte gebaseerd op een positief mensbeeld. Dit neigt naar zelfrechtvaardiging, waartoe bij God geen plaats. Kinzer keert echter onterecht straf om in zegen, waardoor hij toont de Bijbel als rabbijn te lezen (vanuit de bril van hun Mondelinge Leer), maar niet als christen.

Kinzer heeft het juist dat de Torah van Mozes nog van kracht is. Alleen hij zegt niet dat die Torah in een ander licht is komen te staan. Deze is wel ‘doorgezet’ in het Nieuwe Verbond, maar dit verbond volgde op de vergeving, verlossing en verzoening die de Here Jezus heeft bewerkt. Zijn werk verbrak de macht van de zonde waaronder de mensheid gebukt gaat. Hoe kan de Torah van Mozes nog tuchtmeester zijn als die rol vervangen is door de inwoning van de Heilige Geest? Iets waarvan Mozes alleen maar kon dromen. Kinzer verzaakt dus in te gaan op de leer van het Nieuwe Verbond (Diathekologie). Het is de Here Jezus, Die niet meer op aarde is, Die als Hogepriester de Tempeldienst in de hemel verricht op basis van dit verbond. Torah navolging baseren op de wijze van de eerste gemeente, zoals Kinzer voorstaat, is nostalgie maar ook onjuist. Het heeft er alle schijn van dat de leiders van de eerste gemeente het lange uitblijven van de wederkomst niet hebben voorzien. Er is voortschrijdende openbaring en God rekent met de tijd.

Wie echter ontkent dat de Here Jezus Gods verbond niet fundamenteel vernieuwd heeft, zoals Kinzer, begrijpt het NT niet (Hebr 7:12). Kinzer ziet wel vernieuwing, maar niet dat de Here Jezus Zijn Verbond sloot op een ander fundament dan Mozes (1 Kor 3:11; Hebr 3:3). Wijziging van verbond betekent ook wijziging van Torah. De Tempeldienst, die God eert en gelovigen vergeving en verzoening schenkt, staat centraal in Gods Verbond. Echter, in het Nieuwe Verbond is de priesterkaste veranderd. Mozes bepaalde dat priesters alleen uit de stam Levi mochten komen. De Here Jezus is echter Hogepriester gemaakt (Hebr 4:14; 8:1), terwijl Hij niet uit de stam Levi, maar uit de stam Judah kwam (Hebr 7:12-14). Kinzer ontkent, naar rabbijns voorbeeld, dat de Tempel centraal staat en maakt dus ook van dit punt een kleinigheid. Maar niet het NT.

Kinzer stelt dat de Mondelinge Leer geïnspireerd is en dat Joodse gelovigen die zouden moeten navolgen, omdat het nodig zou zijn voor de orthopraxie (het godsdienstige handelen van de gelovigen in het dagelijkse leven). Leerstellig stelt hij daarmee voor om twee wegen – die van de Here Jezus en die van de rabbijnen – samen te brengen die echter niet te combineren zijn. Kinzer noemt dit onvermijdelijk syncretisme; een mengeling van Joodse en christelijke godsdienst. De Mondelinge Leer is een verdere uitwerking van de Torah van Mozes en gaat er dus van uit dat het verbond van Mozes nog van kracht is. Echter, het NT verklaart de voorafgaande verbonden als vervallen (Hebr 8:13). Er kan maar één Verbond van toepassing zijn. Daarbij komt dat het Farizese Judaïsme is voortgesponnen uit on-Bijbelse en occulte (Joodse mystiek en Kabbala), verdichtsels van mensen die de Bijbelse leer overtreden (b.v. Mt 15:3, 6, 9; Tit 1:14). Het gaat uit van het principe van zelfrechtvaardiging, van aanvaardbaar maken van wat krom is en van huichelarij wat de Here Jezus fel en zwaar veroordeelde (b.v. Lc 7:30; 12:1).