‘Weeshuizen zijn ondingen’

0
55
Weeshuizen doen meer kwaad dan goed, al treft de christelijke minder blaam dan die van de staat. Die laatste worden door Marten Visser, voormalig zendeling in Thailand en nu (2016) directeur van evangeliserende internetorganisatie GlobalRize, in het blad ‘De Oogst’ tot ‘ware doodsfabrieken’ gebombardeerd. “Van alle slechte ideeën die ooit zijn verzonnen om mensen te helpen, staat die van weeshuizen ergens in de top”, meent hij.

De in Nederland heersende gedachte dat een wees een kind zonder ouders is, klopt wereldwijd niet als men naar weeshuizen kijkt, weet hij. In Thailand constateerde hij dat ze tijdens schoolvakanties allemaal leeg stonden, omdat de kinderen dan naar hun families waren. En in buurland Cambodja houdt de groei van het aantal weeshuizen geen gelijke tred met het aantal wezen, maar met het aantal toeristen. “Hoe meer toeristen, hoe meer geld voor weeshuizen en hoe meer kinderen uit gezinssituaties worden weggehaald en in weeshuizen geplaatst.”

Visser rept van een collega die een predikant in Birma, tevens leider van een weeshuis, bezocht. Toen de man hoorde dan er buitenlanders kwamen, belde hij naar een bergdorp met het verzoek wat kinderen te brengen. Ouders weten blijkbaar niet dat door hun liefde en persoonlijke zorg kinderen een beter fundament krijgen dan in de wat betere school van het weeshuis. En ze worden ook verleid tot schrappen in het gezinsbudget door een kind uit te besteden, schrijft Visser. “Dus bij veel weeshuizen geldt niet: ‘geef een gift, help een wees’, maar: geef een gift, creëer een wees’.”

Probleem van de ‘wezen-industrie’ is dat, met uitzondering van Aids-gebieden in Afrika, wezen zeldzaam zijn, betoogt hij. Daarom tracht men het probleem zo groot mogelijk voor te stellen. Na de aardbeving in Haïti zouden het er een miljoen zijn. Maar dat kan alleen als de 200.000 doden 100.000 echtparen met elk tien minderjarige kinderen waren. Unicef kwam later met 300 van hun ouders gescheiden kinderen. Dat werden er niet veel meer.

Visser: “Met alle goed bedoelingen komen kinderen in weeshuizen in een slechte situatie terecht. En daarmee heb ik het over de goede weeshuizen.”
Dat zijn niet de tehuizen van eigenaren die zich verrijken, kinderen in armoede leven en waar seksueel misbruik aan de orde van de dag is. “Wat ik schrijf, klinkt misschien cynisch. Maar veel mensen die langere tijd in een armer land woonden, zullen het beamen”, verzucht Visser.

Dat een geluid als dat van hem weinig wordt gehoord, komt doordat het harteloos lijkt en sommige mensen denken wél een goed weeshuis op te kunnen zetten, zegt hij. “Maar ik geloof dat het gezegd moet worden: het systeem deugt niet.” Visser voelt meer voor gezinnen steunen, waarin arme en ouderloze kinderen worden opgevangen. En voor grootouders of ooms en tantes die met wat hulp voor jonge familieleden zorgen. “Het trieste is dat deze oplossingen goedkoper zijn dan weeshuizen, maar er toch niet voor wordt gekozen. De overheid is nu eenmaal zo ingericht dat zij gemakkelijker organisaties optuigt dan individuele mensen vertrouwen geeft. ”Jammer, vindt de auteur, want je kunt beter van een tante dan van een ambtenaar de fles krijgen…

Maar gelukkig komen steeds meer organisaties met alternatieven, schrijft hij.
“Je hoort grote christelijke hulporganisaties zelden praten over kindertehuizen. Niet omdat ze ver van de nood afstaan, maar omdat ze verstandig zijn.” Weeshuizen is in Nederlands iets van vroeger, weet hij. “Dat gun ik andere landen ook.”