Anderen vergeven

0
62
En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve. [Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven.] Marcus 11:25,26

Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden. Lucas 6:37,38

Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. Colossenzen 3:13

En verder: Spreuken 20:22, Matthéüs 5:11,12, Matthéüs 5:44,45, Matthéüs 6:14,15, Matthéüs 18:21-35, Romeinen 12:20,21, Efeziërs 4:31,32, Hebreeën 10:30, 1 Petrus 2:19-25, 1 Petrus 4:14.