God en corona

0
372

‘Waar is God in de coronacrisis?’ Dat is een vraag die zich aan veel mensen opdringt, en net zo wijdverspreid is als het virus. Als er dan ook een goed, afdoend antwoord zou bestaan, dan zouden we dat wel kennen, denkt u niet? Maar de vraag blijft zich met volle kracht aan ons opdringen, en dat is al duizend keer eerder gebeurd. Bij alle schokkende gebeurtenissen is hij er weer, onverminderd ontregelend. Dat goeie antwoord is er dus kennelijk niet. De vraag is te moeilijk voor ons. Ik zal ook geen poging doen om hem te beantwoorden.
Maar waarom blijven we die vraag dan stellen? Wel, ik denk dat de vraag iets opmerkelijks over onszelf vertelt. Wat dat precies is, zal ik illustreren met een tweetal korte parabels.

De eerste kent u waarschijnlijk wel: Tijdens de watersnood klimt een diepgelovig man het dak op. Hij verwacht zijn redding van God. Er komt een bootje langs, maar hij weigert in te stappen. God moet hem redden. Er komt nog een tweede bootje en een derde, maar nee, hij weet dat God zal ingrijpen. Hij verdrinkt, stapt de hemel binnen en vraagt boos aan God: ‘Waarom heeft U me niet gered!?’ Waarop God antwoordt: ‘Maar man er kwamen drie bootjes langs, wat had Ik daar in ’s hemelsnaam nog aan toe moeten voegen?’
De tweede parabel bedacht ik zelf: Er loopt een ongelovige man in het bos. Hij raakt verdwaald, het wordt donker en hij begint hem te knijpen. Dan herinnert hij zich dat hij ooit op een christelijke school heeft gezeten. Hij denkt in een flits: ‘Zou het misschien waar zijn?’, richt zijn ogen naar de donkere lucht, kronkelt zijn vingers op een rare manier door elkaar, en zegt onhandig: ‘O Gij o hoge God, als Gij bestaat dan natuurlijk, ik ben een beetje verdwaald en behoorlijk bang, dat had Gij ook wel gezien als Gij bestaat, dus eh… helpt Gij mij, als het Gij belieft, en als Gij bestaat natuurlijk. Dank Gij wel.’ De man is nog niet uitgesproken of hij ziet het licht van een zaklamp waaraan een boswachter vast blijkt te zitten. De man slaakt een diepe zucht van verlichting. Maar hij is goed opgevoed en weet dat je een begonnen gesprek ook netjes moet afmaken. Dus hij kijkt nog één keer naar de zwarte lucht en prevelt: ‘O Gij o hoge God, laat Gij maar zitten, d’r komt al iemand. Sorry voor de moeite.’

In deze twee verhaaltjes ligt de verklaring waarom we altijd weer de vraag stellen waar God is in gebeurtenissen die groot en vreselijk zijn. Mijn verklaring van de vraag – dus niet het antwoord erop – is de volgende. Er zijn talloze godsbeelden in de wereld, maar er is één bepaald godsbeeld dat we bijna allemaal gemeenschappelijk lijken te hebben. Dat specifieke godsbeeld komt in de parabels naar voren. Het is u misschien al opgevallen dat beide figuren, de zwaar gelovige dakbeklimmer en de ongelovige boswandelaar, op dezelfde manier tegen God aankijken. God moet zich namelijk – als Hij bestaat uiteraard – voor beiden manifesteren. Hij moet voor allebei, zowel de gelovige als de ongelovige, uit de onzichtbare wereld tevoorschijn komen. Dat vindt plaats als Hij iets laat zien waar je niet omheen kan, iets ongewoons, een wonder. God moet een kunstje doen. Daar horen voor die twee de bootjes en de boswachter niet bij. Die maken deel uit van de gewone toevalligheden van het leven. Daar staat God voor hen buiten.

Het zijn natuurlijk maar gelijkenissen, overtrokken voorstellingen van de werkelijkheid net als de verhaaltjes die Jezus vertelde. Het zijn niet meer dan verwijzingen naar de werkelijkheid. In deze twee verhaaltjes wordt verwezen naar de latente overtuiging van tallozen dat je God alleen kunt kennen in het ongewone, het exeptionele, in wonderen, in unieke verschijnselen. Dat is zo oud als de wereld. In het animisme wordt een god gezien in een vreemd gevormde rots of een oeroude knoestige boom. In de Griekse tijd en de christelijke Middeleeuwen zag het volk God in de bliksem. En zelfs in onze tijd, nu de wereld is onttoverd, vragen velen zich aarzelend af of je zo’n uitzonderlijke wereldcrisis als corona niet moet koppelen aan God… Ook niet gelovigen worden daarin meegenomen blijkens Arjen Lubachs laconieke commentaar: ‘Het is een grapje, een test, een straf of een vergissing.’ Want wat je ook kiest, het is in elk geval Gods werk! ‘Boffen wij even dat ie niet bestaat’, hoor je door de woorden heen.

Ik ken ook een heleboel mensen bij wie de vraag niet opkomt, of in elk geval niet leeft, zowel gelovigen als niet gelovigen. Aan de anderen zou ik de volgende tip willen geven: vraag je eens af waar God is buiten de coronacrisis. Waar is God als je in betere dagen in de trein zit op weg naar je werk? Waar is God als je je puber zijn persoonlijke record ziet verbreken op de atletiekbaan? Waar is God als de tranen over je gezicht lopen in de bioscoop? Waar is God op het bruiloftsfeest van je nichtje? Waar is God als je in een overvolle Janskerk de Mattäuspassion meebeleeft? Waar is God als je naar je familie vliegt aan het andere eind van de wereld en niks kan zeggen omdat je halfdood wordt geknuffeld? Waar is God als jouw club in het stadion met 2-0 achter komt te staan? Waar is God als je een verkoudheid oploopt omdat je net de bus hebt gemist en er in de stromende regen voor jou geen plek meer is in het bushokje hoe je ook staat te hijgen en je je paraplu hebt thuisgelaten?
Zalig zijn die geloven en niet hebben gezien.

Leo de Vos
Voormalig medewerker EO Kinderprogramma’s